Bij ongeveer 30% van de paren waarbij een zwangerschap uitblijft, blijkt de oorzaak
te liggen bij de mannelijke partner. Bij mannen is er vrijwel nooit sprake van algehele
onvruchtbaarheid (infertiliteit), maar van verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit)
doordat de kwaliteit van het sperma niet optimaal is. Als het bevruchtend vermogen van
het sperma lager is dan normaal, kan dit door diverse onderzoeken worden vastgesteld.
In deze brochure wordt ingegaan op de achtergronden van een slechte(re) zaadkwaliteit,
op andere, minder vaak voorkomende oorzaken voor mannelijke sub- en infertiliteit en op
behandelingsmogelijkheden.
Bij de geboorte zijn geslachtscellen al aanwezig. Vanaf de puberteit neemt het aantal geslachtscellen door celdeling toe. Deze geslachtscellen noemt men spermatiden en deze ontwikkelen zich tot spermatozoa (de zaadcellen) in een continu rijpingsproces van ongeveer 75 dagen. Het rijpingsproces kan negatief worden beïvloed door externe factoren zoals bijv. koorts en virusinfectie.
Na de zaadlozing moeten de zaadcellen een weg van 12 tot 17 cm afleggen, vanaf de
baarmoedermond, via de baarmoederhals, baarmoeder en eileider naar de vrije
buikholte. Spermacellen behouden normaal gesproken gedurende ongeveer 48 uur hun
bevruchtend vermogen. De zaadcellen hebben ongeveer 5 minuten nodig om de eileider,
waarin de bevruchting plaatsvindt, te bereiken. Het transport van de zaadcellen wordt
vergemakkelijkt door het baarmoederhalsslijm (cervixslijm) dat in de meest vruchtbare
periode van de maand zeer 'spermavriendelijk' is.
In dit baarmoederhalsslijm worden de zaadcellen biochemisch veranderd (capacitatie).
Deze biochemische verandering is voor het zaad noodzakelijk om de eicel te kunnen bevruchten.
Wanneer een zaadcel binnen de wolk steuncellen rondom de eicel treedt, vindt de zogenaamde
acrosoomreactie plaats. Dit is een versmelting van membranen op de kop van de zaadcel,
waardoor enzymen vrijkomen die nodig zijn om de buitenste wand van de eicel te doordringen.
Met behulp van deze enzymen boort de zaadcel zich door de harde wand van de eicel,
de zona pellucida genoemd. Door het versmelten van de mannelijke en de vrouwelijke
kern ontstaat de zygote. Hieruit ontwikkelt zich het pré-embryo: het begin van
nieuw menselijk leven.
Het zal duidelijk zijn dat het sperma aan vele eisen moet voldoen om in staat te zijn zelfstandig een eicel te bevruchten.
Mannelijke sub- of infertiliteit kan vele oorzaken hebben. Vaak is de kwaliteit
(beweeglijkheid en vorm) van de zaadcellen niet optimaal, waardoor de eicel niet
op tijd wordt bereikt. Een slechte zaadkwaliteit is meestal te wijten aan een
stoornis in de spermaproductie, de spermiogenese. Een oorzaak voor een dergelijke
stoornis wordt vaak niet duidelijk. Ook kan de kwantiteit (aantal aanwezige goede
zaadcellen) te wensen overlaten.
Mogelijke oorzaken van slechte zaadkwaliteit/kwantiteit zijn o.a. een vroegere
ontsteking in de zaad- of bijballen (bijv. wanneer de man na de puberteit de bof
heeft gehad), een operatie op jonge leeftijd in verband met niet ingedaalde zaadballen
of als de man vanwege oncologische ziekten is bestraald of chemotherapie heeft gehad.
De aanwezigheid van een varicocèle, een soort spatader in de balzak kan ook een
oorzaak zijn. Dit zou een (te) hoge temperatuur in de zaadballen veroorzaken, hetgeen
van invloed kan zijn op de zaadkwaliteit.
Het kan ook voorkomen dat het zaad er volgens de uitslag van een zaadonderzoek
'normaal' uitziet, maar dat het geen bevruchtend vermogen heeft omdat de capacitatie
of de acrosoomreactie niet optreedt. Waardoor dit probleem optreedt is tot op heden
niet bekend.
Het is ook mogelijk dat er op de spermacellen antistoffen aanwezig zijn waardoor het
sperma zijn bewegend vermogen verliest, de zogeheten immunologische infertiliteit.
De antistoffen die op de zaadcellen aanwezig zijn, binden zich aan het baarmoederhalsslijm,
waardoor de voortgaande beweging van het sperma verandert in een beweging ter plaatse.
Het transport naar de eileider wordt hierdoor geblokkeerd. Niet in alle gevallen hebben
antistoffen echter een negatief effect op de vruchtbaarheid.
Antistoffen zijn wel
aantoonbaar maar niet in alle gevallen verklaarbaar. Dit probleem ontstaat bij 70% van
de mannen die gesteriliseerd zijn en blijft bestaan na een hersteloperatie. Soms worden
ook antistoffen gevonden na een ontsteking of trauma van de zaadballen.
Tot slot kunnen erfelijke factoren een rol spelen bij verminderde vruchtbaarheid. Bij hele
slechte zaadkwaliteit worden soms afwijkingen op de chromosomen gevonden. Door bloedonderzoek
kan dit nader worden onderzocht. Soms is er in dit geval een verhoogde kans op een
miskraam of een kind met aangeboren afwijkingen. Uw arts kan u doorverwijzen naar een
klinisch genetisch laboratorium om meer informatie over de risico's te verkrijgen.
Andere factoren en leefomstandigheden die van invloed zijn
Overmatig alcoholgebruik (meer dan twee glazen per dag) resulteert in een duidelijk verminderde zaadkwaliteit.
Roken en drugs lijken eveneens een ongunstig effect te hebben op de kwaliteit van zaad.
Een te hoge temperatuur in de zaadballen geldt eveneens als veroorzaker van een slechtere zaadkwaliteit. De temperatuur in de zaadballen hoort 35 graden te zijn, dit is lager dan de lichaamstemperatuur (37 graden). Door bijvoorbeeld het dragen van strakke (onder)broeken, door veelvuldig een heet bad te nemen of naar de sauna te gaan, door een varicocèle (spatader in de balzak) en door een zittend beroep (bijv. vrachtwagenchauffeur) kan de temperatuur verhoogd zijn. Of door het zorgen voor een lagere temperatuur de kwaliteit daadwerkelijk verbetert is nog niet goed onderzocht.
Te vaak klaarkomen (meerdere keren per dag), kan bijdragen aan een verminderd aantal zaadcellen per zaadlozing. Door te weinig klaarkomen kan de kwaliteit van het zaad eveneens verminderen. Een optimale hoeveelheid zaadcellen wordt verkregen door eens in de drie tot vijf dagen klaar te komen.
Het werken met chemische of radio-actieve stoffen, bestrijdingsmiddelen, lood, ioniserende straling (bijv. röntgen) kan net als medicijngebruik, van invloed zijn op de zaadkwaliteit. Hier wordt nog altijd onderzoek naar gedaan. Risicogroepen zijn in ieder geval schilders en kwekerijpersoneel.
Stress kan een oorzaak zijn van tijdelijk verminderde zaadproductie.
Te weinig vitamine C in de voeding kan eveneens een verminderde kwaliteit opleveren.
Tot slot kan er eenmalig een slechte zaadkwaliteit worden gevonden omdat u bijvoorbeeld binnen 75 dagen vóór het zaadonderzoek last heeft gehad van koorts of een virusinfectie. In dit geval zal een volgend zaadonderzoek wellicht een positiever beeld opleveren.
Het kan ook voorkomen dat er sprake is van algehele onvruchtbaarheid omdat er geen zaadleiders zijn. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de man een aangeboren afwijking heeft of drager is van een erfelijke ziekte als CF (cystic fybrosis, taaislijmziekte). Nader bloedonderzoek kan meer informatie verschaffen over de risico's voor een kind. De zaadleiders kunnen ook verstopt zijn geraakt ten gevolge van een ziekte. Een andere groep krijgt met vruchtbaarheidsbehandelingen te maken nadat men spijt krijgt van een sterilisatie. Tot slot kunnen ejaculatiestoornissen, als gevolg van bijvoorbeeld impotentie, gedeeltelijke of totale onvruchtbaarheid veroorzaken.
Vruchtbaarheidsonderzoek bij de man begint met een sperma-analyse en ook kan een algemeen onderzoek (anamnese genoemd) worden uitgevoerd. Daarnaast bestaan er diverse aanvullende onderzoeken die op indicatie worden uitgevoerd.
In veel ziekenhuizen onderzoekt men de man alleen als bij het zaadonderzoek
afwijkingen worden gevonden. Er wordt gevraagd naar ziektes, operaties, gebruik
van geneesmiddelen en naar de seksuele ontwikkeling (potentie, techniek en
frequentie van de coïtus, eventuele pijn bij het vrijen). Vervolgens worden de
lengte, het gewicht en de bloeddruk van de man gemeten. De arts let ook op de
uiterlijke verschijning (postuur, beharing), afwijkingen van het normale patroon
kunnen namelijk wijzen op een verstoorde hormoonhuishouding.
Daarna kunnen de uitwendige geslachtsorganen worden onderzocht, het andrologisch
onderzoek. De arts bekijkt de penis en voelt aan de balzak, dit laatste om zeker
te weten dat de ballen (testes) zijn ingedaald en na te gaan gaan of er geen ontstekingen
of spataderkluwen aanwezig zijn. Tot slot kan de prostaat met een vinger via de anus
worden afgetast.
Het belangrijkste en meest veelzeggende onderzoek bij de man is het zaadonderzoek.
Doel van dit onderzoek is een beeld te krijgen van de zaadkwaliteit. Het zaad wordt
onderzocht op het aantal spermacellen, op de beweeglijkheid (motiliteit) en op de
uiterlijke verschijning (morfologie).
De productie van sperma dat in het laboratorium wordt onderzocht, geschiedt in het
algemeen thuis.
Het zaad wordt verkregen door masturbatie. De man mag 3 tot 5 dagen voor het
inleveren geen zaadlozing hebben gehad. Het zaad moet binnen 2 uur in een hiervoor
bestemd potje naar het ziekenhuis worden gebracht. Het zaadmonster moet op het lichaam
worden vervoerd (bijv. in de broekzak) om afkoeling te voorkomen. Soms moet het zaad in
het ziekenhuis worden geproduceerd. De ziekenhuizen met een speciale fertiliteitsafdeling
hebben hiervoor een apart zogenoemd 'herenkamertje of zaadkamertje'.
Als bij een eerste sperma-onderzoek een slechte zaadkwaliteit wordt aangetroffen,
wordt het zaadonderzoek herhaald om te kijken of er sprake was van toeval of van een
structureel probleem. In het algemeen geldt dat de kwaliteit van het zaad van elke man
sterk kan verschillen per keer.
Het zaad wordt getest op aantal spermacellen, hun beweeglijkheid en vorm. Ook wordt gekeken naar de hoeveelheid vloeistof (semen) en de zuurgraad (pH-waarde). Bij verminderde zaadkwaliteit gaat het vaak om een combinatie van een verminderd aantal zaadcellen, afwijkende vorm en slechte beweeglijkheid (oligo-astheno-teratozoöspermie).
UitslagenDe criteria voor kwantiteit en kwaliteit die in deze brochure worden genoemd, zijn gemiddelden. In de Nederlandse ziekenhuizen worden verschillende telmethoden gehanteerd en daardoor kunnen grenzen en 'normaalwaarden' verschillen. Inmiddels wordt er wel gewerkt aan standaardisatie van de meetcriteria. De hieronder genoemde waarden zijn door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geadviseerd. Een andere veel gehanteerde maat is: meer dan 7 miljoen zaadcellen, 18% beweeglijkheid en 4% normale vorm. Overleg met uw eigen arts welke waarden gehanteerd worden.
Normaal komen er gemiddeld bij een zaadlozing 100 tot 200 miljoen zaadcellen in totaal vrij. Een man wordt verminderd vruchtbaar genoemd als er minder dan 20 miljoen spermacellen per ml. ejaculaat (zaadlozing) worden aangetroffen. 'Normaal' is een ejaculaat van 20 tot 50 miljoen per ml. spermacellen. Er is sprake van een ernstige zaadafwijking als er minder dan 10 miljoen zaadcellen per ml. worden gevonden. Een lager aantal spermacellen dan normaal, wordt oligozoöspermie genoemd. Als er herhaaldelijk helemaal geen zaadcellen worden gevonden spreekt men van azoöspermie.
De beweeglijkheid (motiliteit) van het sperma zegt iets over de kans dat het
sperma op eigen kracht naar de eicel in de eileider toe kan zwemmen. Motiliteit
blijkt een zeer belangrijke waarde te zijn van zaadkwaliteit. 'Normaal' is wanneer
tenminste 50% van de zaadcellen beweegt waarvan 25% goed, dus vooruit, beweegt.
De beweeglijkheid is optimaal bij een temperatuur van 37 °C (= lichaamstemperatuur).
Een motiliteit van minder dan 25% vooruitbewegende zaadcellen wordt asthenozoö
spermie genoemd.
Selectie van de meest beweeglijke zaadcellen is mogelijk. Deze kunnen intra-uterien
(in de baarmoeder) worden geïnsemineerd.
Bij elke man komen zaadcellen met een afwijkende vorm voor. Als meer dan 70% van de zaadcellen qua vorm (morfologie) afwijkt van het normale beeld, spreekt men van teratozoöspermie. Er is geen verband tussen teratozoöspermie van de vader en het voorkomen van erfelijke afwijkingen bij zijn kind.
De hoeveelheid vocht (het volume van het semen) is normaliter tussen de 2 en 5 ml per ejaculaat. Een laag volume kan wijzen op problemen bij de productie of het niet goed kunnen ejaculeren (retrograde ejaculatie in de richting van de blaas). Dit laatste kan vastgesteld worden door urine-onderzoek; er worden dan zaadcellen aangetroffen in de urine.
Een lage zuurgraad (pH-waarde kleiner dan 7, dus te zuur semen) wordt vaak aangetroffen in combinatie met een gering volume en azoöspermie. Veelal zijn de zaadleiders dan geblokkeerd of volledig afwezig.
Onderstaande onderzoeken worden niet beschouwd als standaardonderzoeken en worden uitsluitend uitgevoerd indien deze in uw geval zinvol worden geacht.
MAR-test of IBT-testDeze test kan tegelijk met het zaadonderzoek gedaan worden. Onderzocht wordt of er antistoffen tegen zaadcellen in het ejaculaat aanwezig zijn. Doorgaans wordt gekeken naar twee soorten antistoffen; IgA en IgG. Aanwezigheid van antistoffen bij een groot percentage zaadcellen (meer dan 90%) geeft een kleinere kans op bevruchting. Dit is ook het geval als de antistoffen in het bloed aantoonbaar zijn bij een verdunning (titer) van 512x.
De post-coïtumtest (ook wel Simms-Hühner- of samenlevingstest genoemd)
Deze test vindt plaats bij de vrouw en wordt gebruikt om te bepalen of en hoe
lang het sperma levend aanwezig is in het baarmoederhalsslijm. Het paar moet de
avond voor het onderzoek gemeenschap hebben. 's Ochtends wordt slijm van de
baarmoederhals bij de vrouw afgenomen en beoordeeld. Er wordt gekeken naar de
beweeglijkheid van het nog levende sperma in het baarmoederhalsslijm. De
post-coïtumtest wordt in de meest vruchtbare periode van de cyclus gedaan.
Als de uitslag van het zaadonderzoek goed, maar de uitslag van de post-coï
tumtest desondanks negatief is, kan dit betekenen dat er anti-stoffen op de
zaadcellen aanwezig zijn. Doet deze situatie zich voor, dan is speciaal onderzoek
naar de aanwezigheid van deze anti-stoffen nodig.
Een test die op het verkeerde tijdstip wordt uitgevoerd - dat wil zeggen te ver voor of na de eisprong - kan ten onrechte geen goed beweeglijke zaadcellen laten zien. Maar ook is het mogelijk dat er helemaal niets mis is terwijl uit de test 'blijkt' dat er geen goed beweeglijke zaadcellen zijn. Dit is de reden dat sommige gynaecologen deze test niet uitvoeren of er niet zoveel waarde aan hechten.
Sperma-mucus-testDit is een variatie op de post-coïtum-test en wordt in het laboratorium uitgevoerd. De arts neemt van de vrouw een beetje slijm weg bij de baarmoedermond en brengt dit op een glaasje aan, het door masturbatie verkregen sperma wordt er bij gevoegd en na een paar uur wordt bekeken of de zaadcellen goed zijn doorgedrongen in het slijm.
LiposomentestMet de liposomentest wordt het bevruchtend vermogen van het zaad vastgesteld. Uit de liposomentest blijkt of de acrosoomreactie optreedt, waardoor de zaadcel het vermogen verkrijgt de schil van de eicel te doordringen.
BloedonderzoekAls er weinig zaadcellen bij het spermaonderzoek werden gevonden kan men door
middel van een enkele bloedafname het testosterongehalte meten, dit is het mannelijk
geslachtshormoon dat een maat is voor het rijpingsproces. Als na bepaling van de
concentratie FSH (follikelstimulerend hormoon) een tekort wordt vastgesteld kan
een hormoonkuur worden overwogen. FSH is van belang bij de spermaproductie. Een
tekort aan FSH is een zeer zeldzame oorzaak van een tekort aan zaadcellen.
Bij verdenking op antistoffen kan eveneens bloedonderzoek gedaan worden.
Ook in geval er verdenking is op erfelijke factoren kan bloedonderzoek duidelijkheid
geven. Daarbij wordt gelet op de vorm en het aantal chromosomen. Daarnaast kan ook
DNA-onderzoek worden verricht waarbij wordt gekeken naar afwijkingen op de genen.
Als er bij lichamelijk onderzoek afwijkingen worden gevonden of als er sprake is van een afwijkende hoeveelheid of kwaliteit van de zaadvloeistof wordt soms en echo gemaakt van de balzak, de prostaat en de zaadblaasjes.
Biopsie van de zaadballenEen enkele keer wordt een klein stukje weefsel uit de zaadbal verwijderd en onder de microscoop onderzocht als er geen zaadcellen aanwezig zijn in het sperma.
Bij verminderde mannelijke vruchtbaarheid staan verschillende behandelingsmogelijkheden open. In deze brochure worden ze kort genoemd.
Als er meer dan 1 miljoen spermacellen per ml. in het zaad aanwezig zijn, zijn er
in de eerste instantie de volgende behandelingsmogelijkheden: KI (Kunstmatige
Inseminatie, ook wel KIE genoemd: Kunstmatige Inseminatie met zaad van de Eigen
partner) of IUI (Intra Uteriene Inseminatie).
Bij KI wordt het - al dan niet opgewerkte - zaad hoog in de schede gespoten. In
de meeste gevallen zal voor IUI worden gekozen; het zaad wordt direct in de baarmoeder
gespoten. Voor IUI moet het zaad eerst een bewerking ondergaan, het zogenaamde 'opwerken'.
Dit is een methode om de meest beweeglijke zaadcellen te scheiden van de rest het sperma.
Na het 'opwerken' moet het aantal zaadcellen wel boven de 500.000 liggen.
Zijn er bij de vrouw ook problemen die het ontstaan van een zwangerschap belemmeren of leveren inseminaties geen resultaat op, dan kan IVF (In Vitro Fertilisatie) een behandelmethode zijn. Ook voor IVF moet er minstens 1 miljoen zaadcellen per ml. gevonden worden, waarvan er minimaal 500.000 overblijven na het opwerken van het zaad. In het laboratorium worden eicel(len) en zaadcellen in een kweekschaaltje bij elkaar gedaan, waarna bevruchting kan optreden.
Als er minder dan 1 miljoen spermacellen per ml. in het zaad aanwezig zijn of er zijn anti-stoffen aanwezig of de acrosoomreactie en/of capacitatie treedt niet op, of bij een combinatie van bovengenoemde factoren, behoort ICSI (Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie) tot de behandelingsmogelijkheden. Een ICSI behandeling is gelijk aan een IVF behandeling, echter in het laboratorium wordt een geselecteerde zaadcel direct in een eicel gebracht. ICSI wordt ook toegepast als bij IVF blijkt dat er geen bevruchting optreedt.
Als er helemaal geen goede zaadcellen worden aangetroffen of het paar kiest niet voor de andere behandelmogelijkheden, kan KID (Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad) wellicht een optie zijn. Voor deze mogelijkheid kan ook gekozen worden wanneer sprake is van (dragerschap van) een erfelijke ziekte bij de man.
Bij ejaculatiestoornissen of bij geblokkeerde of afwezige zaadleiders kan soms toch zaad worden verkregen door middel van de MESA- of PESA-behandeling (bij deze behandeling wordt het sperma uit de bijbal wordt gehaald door middel van een microchirurgische operatie of een punctie). Deze behandeling wordt altijd in combinatie met ICSI uitgevoerd. MESA en PESA wordt in enkele klinieken in Nederland toegepast, onder voorwaarde dat u instemt met vervolgonderzoek bij het kind om de veiligheid van deze methode te onderzoeken. Dit betreft de volgende klinieken: UMC St Radboud in Nijmegen, UMC Utrecht, AZ Maastricht, St Elisabeth Ziekenhuis Tilburg, Erasmus MC Rotterdam en Medisch Centrum Kinderwens Leiderdorp. Voor meer informatie, zie links MESA/PESA/TESE.
Dit is een variant op MESA, maar in dit geval worden de zaadcellen uit de testikels gehaald. Dit gebeurt dan omdat er geen zaadcellen in de zaadleiders gevonden zijn of de zaadleiders ontbreken. Omdat het hierbij gaat om (mogelijk) nog onrijpe zaadcellen en de gevolgen daarvan voor het kind nog niet te overzien zijn, wordt TESE (TEsticulaire Sperma Extractie) in Nederland op dit moment slechts in onderzoeksverband uitgevoerd door 2 klinieken: het AMC Amsterdam en het UMC St. Radboud te Nijmegen.
Als er sprake is van een tekort aan de hormonen LH en FSH wordt soms hormoontherapie aan de man voorgeschreven. In het verleden kregen mannen waarbij geen hormoonafwijking werd gevonden, soms ook hormonen (bijv. clomifeen) voorgeschreven. Het effect hiervan is echter nooit bewezen en dit wordt nu dan ook zo goed als niet meer toegepast.
Een spataderkluwen in de balzak (varicocèle) zou mogelijk verminderde
vruchtbaarheid veroorzaken doordat de temperatuur in de balzak hoger wordt. Soms
wordt dan voorgesteld operatief in te grijpen. Een spataderkluwen ontstaat doordat
een ader het bloed vanuit de balzak niet goed afvoert. Spataderen zijn het gevolg.
Bij een operatie wordt deze afvoerende ader afgesloten. Daardoor verdwijnen ook de
spataderen. Er blijven voldoende aderen over die het bloed wel kunnen afvoeren. De
behandeling kan op twee verschillende manieren gebeuren. De eerste manier is dat de
ader wordt afgebonden, zodat het bloed er niet meer doorheen stroomt. Hiervoor maakt
de uroloog onderin de buik een sneetje. Ook kan de operatie via een kijkbuisje plaatsvinden.
Het is een kleine ingreep.
Bij de tweede manier wordt een spiraaltje in de ader gebracht zodat er geen bloed
meer doorheen kan stromen. De ingreep gebeurt onder plaatselijke verdoving door de
radioloog en is weinig belastend. U kunt direct na afloop weer naar huis.
Medici verschillen echter van mening over het nut van deze ingreep. Soms wordt een
verbetering van de spermakwaliteit gezien, maar dat is niet altijd het geval. Een
grotere kans op zwangerschap kan niet bewezen noch uitgesloten worden. Bij de beslissing
om deze ingreep te ondergaan spelen verschillende zaken een rol: onder andere of er nog
andere factoren gevonden zijn waardoor er geen zwangerschap ontstaat en hoever u
en uw partner willen gaan met andere behandelingsmethoden.
In sommige gevallen lijkt de kwaliteit van het sperma te verbeteren na een acupunctuurbehandeling of een behandeling met homeopathische medicijnen, of door het slikken van multivitaminenpreparaten die zink en seleen-toevoegingen hebben. De werkzaamheid van deze middelen zijn echter tot nu toe niet bewezen. De kwaliteit van het zaad kan namelijk sterk wisselen, dus valt verbetering niet zonder meer aan een behandeling toe te schrijven. Indien u meer informatie over dergelijke behandelingen wenst kunt u bij onderstaande organisaties adressen verkrijgen van erkende behandelaars:
Vrouwen zoeken in het algemeen eerder naar iemand om te praten over persoonlijke
problemen waarmee ze te maken krijgen. In de afgelopen jaren is bij Freya gebleken
dat die behoefte er bij veel mannen ook wel is, maar dat zij het veel moeilijker
vinden om een dergelijk gesprek te beginnen. Soms kunnen reacties uit de omgeving
het ook erg moeilijk maken. Er zijn helaas nog steeds mensen die vruchtbaarheidsproblemen
verwarren met potentieproblemen. Maar als blijkt dat een man verminderd vruchtbaar of
onvruchtbaar is, is hij daardoor natuurlijk nog niet minder mannelijk!
Een ander punt is dat veel mannen hun vrouw - die immers vaak de behandeling moet
ondergaan -willen steunen en hun eigen gevoelens daarvoor onderdrukken. Het is echter
toch heel prettig en waardevol om elkaars gevoelens samen te bespreken; Dit kan
partners dichter bij elkaar brengen dan ooit.
Ook praten met een (mannelijke) lotgenoot kan enorm opluchten. Helaas heeft Freya
slechts enkele mannelijke contactpersonen, via de Freya telefonische hulplijn kan
men eventueel door de dienstdoende contactpersoon naar hen doorverwezen worden:
tel. 024 - 64 51 088.
Uiteraard zijn mannen ook welkom op alle bijeenkomsten die Freya organiseert!
De meeste paren komen samen. Aankondigingen van bijeenkomsten zijn te vinden
op de Freya website www.freya.nl en in het Freya Magazine, het ledenblad dat
vijfmaal per jaar uitgebracht wordt. Op de website kan men zich ook aanmelden
voor deelname aan een mailinglijst of meechatten in de chatbox.
CD-rom Als zwanger worden niet vanzelf gaat. (2000) ISBN 90 373 04 990
Rob Weber & Gert Dohle, Meer kans op vaderschap. (1998) ISBN 90 2159 4641
Arend van Dam, Spermadilemma, over de vruchtbaarheidsbeleving van de man. (1998) ISBN 90 254 2500 3
Didi Braat & Gemma Kleijne, Zwanger via een omweg. (1998) ISBN 90 215 3227 1
Ben Elton, Vruchteloos. (2000) ISBN 90 5501 775 2 (Roman)
Dit is een uitgave van:
Freya
Postbus 476
6600 AL Wijchen
tel. 024 - 64 51 088
fax 024 - 64 54 605
secretariaat@freya.nl
www.freya.nl
Freya, patiëntenvereniging voor vruchtbaarheidsproblematiek
april 2001,
>Laatste update februari 2009