Embryotransfer

Bij IVF worden de eicellen na de punctie in het laboratorium samengebracht met de zaadcellen en vervolgens enkele dagen in de broedstoof gezet. De dag waarop het ontstane embryo in de baarmoeder wordt geplaatst kan verschillen. Dit geldt ook voor ICSI-behandelingen.

Embryotransfer op dag 3 of 5?

Embryo’s worden veelal op dag 2 of 3 na de punctie in de baarmoeder geplaatst. In dat stadium bestaat het embryo doorgaans uit 4 tot 8 cellen. Als de embryo’s langer in het laboratorium worden doorgekweekt, komen ze in het blastocyststadium. Soms wordt een embryo pas dan in de baarmoeder geplaatst. Dit is op dag 5 of 6 na de punctie.

Voor- en nadelen

Doordat het embryo in het laboratorium verder ontwikkeld is, kan de succeskans per embryo na blastocysttransfer hoger liggen. Maar niet alle bevruchte eicellen ontwikkelen zich in het laboratorium tot het blastocyststadium. Het aantal behandelingen waarin helemaal geen embryotransfer kan plaatsvinden is groter indien gewacht wordt tot het blastocyststadium. Embryo’s die in het laboratorium niet doorgroeien tot het blastocyststadium hadden wellicht wél implantatiekans gehad op dag 2 of 3 na fertilisatie.

Is een blastocysttransfer iets voor mij?

De keuze voor een embryo-transfer op dag 5 is met name geschikt voor jongere vrouwen met een goede zwangerschapskans bij IVF (of ICSI). Ook kan het een goede mogelijkheid zijn als je eerder goede kwaliteit embryo’s hebt gehad in een voorgaande IVF-cyclus maar er heeft geen innesteling plaatsgevonden. Het wordt niet aanbevolen als je minder gezonde eitjes dan normaal produceert. Blastocysttransfer wordt niet in alle klinieken toegepast. Soms wordt bij een ‘verse’ poging op dag 3 een embryo teruggeplaatst en kweken ze de overige embryo’s door tot blastocyst, die worden ingevroren en later in een cryo-poging kunnen worden teruggeplaatst.

Cijfers

De vruchtbaarheid van de vrouw neemt af met de leeftijd. Dus als je met je eigen eitjes zwanger wilt worden, is de kans op succes hoger als je jonger bent. Onderstaande cijfers vanuit het Verenigd Koninkrijk over het jaar 2008, voor vrouwen die IVF ondergingen, waarbij verse (niet ingevroren) blastocysttransfers (van hun eigen eicellen) werden gedaan. De cijfers betreffen een levend geboren kind.

  • 47.9% (325/679) voor vrouwen onder 35
  • 44.6% (190/426) voor vrouwen tussen 35-37
  • 34.1% (79/232) voor vrouwen tussen 38-39
  • 26.8% (60/224) voor vrouwen tussen 40-42
  • ** (1/33) voor vrouwen tussen 43-44
  • ** (0/2) voor vrouwen boven 44

** Percentages zijn niet berekend als er minder dan 50 cycli waren waarbij een blastocysttransfer werd gedaan. De cijfers tussen haakjes zijn (cycli waarna een kind levend werd geboren / alle cycli waarbij een blastocysttransfer mogelijk was).

Bron: HFEA.