Kind van een donor

Als je een kindje hebt gekregen met behulp van een zaad- of eiceldonor kun je je afvragen of en hoe je het aan je kind gaat vertellen. Je kunt hier niet vroeg genoeg over nadenken en mee aan de slag gaan.

Waarom vertellen?

Elk mens is een uniek individu die een respectvolle behandeling verdient. Het getuigt van respect voor je kind als je open bent over zijn/haar afstammingsinformatie. Daarnaast kost geheimen bewaren veel energie en dit kan – denk bijvoorbeeld aan een scheiding – op een ongewenst moment fout gaan. Of als anderen in je omgeving wel op de hoogte zijn, kunnen zij opmerkingen maken over de situatie. Kinderen hebben doorgaans een supergevoelige radar. Onbeantwoorde vragen of ontwijkende antwoorden, blikken van verstandhouding tussen de ouders of pijnlijke stiltes kunnen een sfeer creëren die een kind feilloos aanvoelt. Het kind kan zich daardoor ‘anders voelen’ op een bepaalde manier, waarvoor hij/zij er geen verklaring heeft en zoekt de ‘schuld’ bij zichzelf. Als jij wilt dat jouw kind eerlijk is naar jou toe, hoor jij dat dan ook niet te zijn naar hem/haar toe?

In Nederland worden donoren geregistreerd en kunnen kinderen vanaf 16 jaar hun gegevens opvragen. Daarnaast is het door de ontwikkelingen in DNA-testen steeds eenvoudiger om informatie over je afstamming te achterhalen. Zelfs als de donor niet kan worden achterhaald, kun je nog steeds het verhaal over de bijdrage van een donor eerlijk brengen.

Waarom niet vertellen?

Je wilt niet dat het kind anders naar de ouder met het vruchtbaarheidsprobleem (of de erfelijke afwijking waardoor voor een donor is gekozen) kijkt dan naar de andere ouder. Of je bent bang voor reacties uit de omgeving. Onvruchtbaarheid maakt je kwetsbaar. Je denkt dat het kind het toch nooit ontdekt. Of misschien heb je een onbekende donor gebruikt en zal je kind nooit kunnen achterhalen wie de donor was.

Weeg af of jouw argumenten om het niet te vertellen zwaarder wegen dan de argumenten om het wel te vertellen!

Sociaal of biologisch?

Ook al stamt jouw kind in biologisch opzicht niet van jou af, het is nog steeds jouw kind. Een kind dat jij (heel graag) op de wereld wilde zetten, dat jij hebt gekoesterd en verzorgd. Jij bent de vader of moeder. De donor is donor en was zo aardig om andere mensen te helpen hun kinderwens in te vullen. Maar een kind kan wel nieuwsgierig worden naar zijn/haar biologische afkomst. Gewoon weten op wie je lijkt, hoe je aan bepaalde eigenschappen komt.

Wanneer vertellen?

Veel ouders zeggen dat ze het hun kind willen vertellen als deze oud genoeg is om het hele verhaal te snappen. Dit is heel begrijpelijk. Het praten met heel jonge kinderen over zoiets persoonlijks lijkt een vreemd idee. Maar wat is oud genoeg? Het uitstellen tot later maakt het alleen moeilijker. Je merkt dat je onbewust al een toenemend gecompliceerd web aan het spinnen bent van leugentjes en uitvluchten, zowel tegen het kind als de omgeving.
Dit kan al beginnen zodra je kind geboren is. ‘Op wie lijkt hij/zij?’ zal een veelbesproken onderwerp zijn. Hoe ga je met die vragen en opmerkingen om?

Onderzoek heeft uitgewezen dat vertellen over de donor-afkomst in de puberteit of op volwassen leeftijd schade kan toebrengen aan huidige en toekomstige relaties. Het is moeilijk om weer vertrouwen te krijgen in mensen als blijkt dat je lang bent voorgelogen door de mensen die je het meest vertrouwde.

Tips: hoe vertel ik het mijn kind?

  • Begin zo vroeg mogelijk
  • Maak het niet te ingewikkeld
  • Sluit met je taalgebruik aan bij de leeftijd en belevingswereld van het kind
  • Praat er terloops over, dus maak er geen ‘belangrijk gesprek’ van
  • Kom er regelmatig op terug
  • Gebruik hulpmiddelen, zoals de kinderboekenreeks Wereldwondertje die voor dit doel geschreven zijn

 

Lees ook het artikel ‘Het vertellen en erover praten‘ van Donor Conception Network (met dank aan De Verdwaalde Ooievaar voor de vertaling)

Wil je meer lezen?