Je menstruatiecyclus

Als je zwanger wilt worden, is het goed om te weten hoe je cyclus in elkaar zit. We leggen je graag uit hoe het zit met hormonen, eisprong en menstruatie.

De menstruatiecyclus

Normaal gesproken komt bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd maandelijks een eicel vrij uit een van de eierstokken, de zogenaamde eisprong of ovulatie. Tijdens de rijping van de eicel groeit het baarmoederslijmvlies, onder invloed van bepaalde hormonen, zodat een bevruchte eicel zich kan innestelen. Als er geen bevruchting opgetreden is, wordt het ontstane baarmoederslijmvlies afgestoten: de menstruatie. Artsen noemen de eerste dag van je menstruatie dag 1 van de cyclus. Een normale cyclus (de periode van de eerste dag van de menstruatie tot de eerste dag van de volgende menstruatie) is niet korter dan 21 dagen en niet langer dan 42 dagen. De lengte wordt bepaald door de duur van de rijping van de eiblaas, die kan wisselen. De tijd na de eisprong tot de menstruatie is bijna altijd 14 dagen. De bloeding (menstruatie) zelf duurt meestal niet korter dan 1 dag en niet langer dan 7 dagen. De variatie van vrouw tot vrouw is groot.

De menstruatie

De hoeveelheid bloedverlies is wisselend. Gemiddeld is het ongeveer 50 ml. Te weinig bloedverlies is niet erg, het betekent niet dat je minder vruchtbaar bent als je weinig of kort menstrueert. Met te veel bloedverlies (langer dan 7 dagen, bloedverlies met stolsels/bloedproppen of zoveel bloedverlies dat je je gewone bezigheden niet kunt uitvoeren) is een bezoek aan de huisarts aan te raden.

De werking van hormonen

Het proces van de vrouwelijke cyclus is een samenspel tussen verschillende organen en hormonen in het lichaam. De hypothalamus en de hypofyse (in de hersenen) wisselen signalen uit met de eierstokken en de baarmoeder, door middel van verschillende hormonen.

De hypothalamus zit aan de onderkant van de hersenen, vlak daaronder zit de hypofyse (hersenaanhangsel). De hypothalamus produceert LHRH, een zogenaamd boodschapper-hormoon, dat de hypofyse aanzet tot het afgeven van FSH (Follikel Stimulerend Hormoon) en LH (Luteïniserend Hormoon). FSH en LH worden via het bloed naar de eierstokken getransporteerd en zijn verantwoordelijk voor de eirijping en de eisprong. FSH stimuleert de groei van een eiblaasje (follikel) waarin een eicel zit en zorgt tevens voor de aanmaak van het hormoon oestrogeen in de eierstokken. Het oestrogeen zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies gaat groeien. Als de hoeveelheid oestrogeen in het bloed hoog is, wordt hierdoor de afgifte van FSH geremd en de afgifte van LH gestimuleerd. Onder invloed van die grote hoeveelheid LH (LH-piek) treedt de ovulatie op, in het midden van de cyclus. De eierstokken gaan nu naast oestrogeen ook progesteron maken. Dit hormoon zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies voldoende voedingsstoffen gaat bevatten voor de eventueel bevruchte eicel. Dit wordt de luteale fase genoemd.

De eierstokken

Een vrouw heeft twee eierstokken. In elke eierstok bevinden zich vele duizenden eicellen. Om elke eicel zitten kleinere follikelcellen die oestrogeen maken. De combinatie van follikelcellen met daarbinnen een eicel noemen we follikel. Een beginnende follikel heeft een doorsnede van 0,05 mm. Al vanaf de puberteit zijn constant tientallen follikels aan het groeien. Sommige sterven af terwijl andere doorgroeien, waarbij op een gegeven moment een met vocht gevulde holte in de follikel ontstaat. De follikel heeft dan een doorsnede van ongeveer 3 mm. Dit wordt een Graafse follikel genoemd. Als de hypofyse aan het begin van de cyclus FSH aan het bloed afgeeft, groeien enkele Graafse follikels verder uit. Hierbij wordt veel oestrogeen geproduceerd. Na tien tot veertien dagen is doorgaans de dominante follikel rijp, de doorsnede is ongeveer 25 mm. De eicel heeft zich dan losgemaakt van de follikelcellen en zweeft in de vloeistof. Dit is het stadium van de sprongrijpe follikel.

De eisprong

Op het moment dat de follikel rijp is, geeft de hypofyse een grote hoeveelheid LH af. De follikel groeit hierdoor binnen twee dagen zo snel dat deze knapt: de vloeistof met de eicel komt naar buiten en kan worden opgevangen door de eileider. Dit is de eisprong of ovulatie. Direct hierna krijgen de andere sprongrijpe follikels het signaal dat ze niet meer nodig zijn. Ze stoppen met groeien en verschrompelen binnen enkele dagen. De eicel wordt door de trilhaartjes in de eileider naar de baarmoeder vervoerd. Tijdens deze reis moet de bevruchting plaatsvinden, er moeten daarom al voor de eisprong zaadcellen aanwezig zijn in de eileider.

Geen bevruchting

Wordt de eicel niet bevrucht, dan daalt de hoeveelheid oestrogeen en progesteron in het bloed aanzienlijk. De gevolgen van deze daling zijn de afstoting van het baarmoederslijmvlies en een bloeding (menstruatie). Daarnaast zorgt de lage oestrogeenconcentratie in het bloed ervoor dat de hypofyse opnieuw door de hypothalamus wordt geprikkeld om FSH en LH af te geven. De volgende cyclus is dan begonnen. De hypothalamus geeft niet een constante hoeveelheid LHRH (ook wel GnRH genoemd) af, maar doet dit stootsgewijs (pulserend). Dit is noodzakelijk voor het normaal functioneren van de menstruatiecyclus.

Samenwerking

De werking van de hypothalamus, hypofyse en eierstokken is haarfijn op elkaar afgestemd. Zolang alle organen goed functioneren, verloopt de cyclus zonder problemen. Als echter een van de organen niet goed werkt of het transport van de hormonen niet verloopt zoals het hoort, dan heeft dit zijn weerslag op het hele proces. Hierdoor kunnen allerlei klachten ontstaan. Ook vruchtbaarheidsproblemen kunnen het gevolg hiervan zijn, omdat bij een ontregelde hormoonhuishouding vaak geen eisprong optreedt.

Wil je meer lezen?