Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Spermaproductie
3. Wat moet een zaadcel kunnen?
4. Verminderde zaadkwaliteit
5. Afwezigheid van zaadcellen
6. Standaardonderzoeken
7. Onderzoeken op indicatie
8. Behandelingsmogelijkheden
9. Wat kun je zelf doen?
10. Wat biedt Freya jou?
11. Meer lezen
1. INLEIDING
In de helft van de gevallen waarbij een zwangerschap uitblijft, blijkt de oorzaak (mede) te liggen bij de mannelijke partner. Bij mannen is er niet vaak sprake van algehele onvruchtbaarheid (infertiliteit), maar vaak van verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit) doordat het aantal en de beweeglijkheid van de spermacellen niet optimaal is. Als het bevruchtend vermogen van het sperma lager is dan normaal, kan dit door diverse onderzoeken worden vastgesteld. In deze brochure wordt ingegaan op de achtergronden van een verminderde zaadkwaliteit, op andere, minder vaak voorkomende oorzaken voor mannelijke sub- en infertiliteit en de behandelingsmogelijkheden.
2. SPERMAPRODUCTIE
Bij de geboorte van een man zijn alleen voorlopers van de spermacellen, ook wel de stamcellen genoemd, aanwezig in de bal. Vanaf de puberteit begint de zaadproductie, de ‘spermatogenese’. Rijpe zaadcellen worden afgevoerd en samen met extra vocht komen ze terecht bij het ejaculaat (zaadlozing). Dit is een continu rijpingsproces, waarbij het ontwikkelen van een voorloper/stamcel tot rijpe spermacel ongeveer 75 dagen duurt. Het rijpingsproces kan negatief worden beïnvloed door externe factoren zoals bijv. koorts, een ongezonde levensstijl of (virus)infecties.
3. WAT MOET EEN ZAADCEL KUNNEN?
Zwemmen
Na de zaadlozing moeten de zaadcellen een weg van 12 tot 17 cm afleggen: vanaf de baarmoedermond, via de baarmoederhals naar de baarmoeder en vervolgens door de eileider waar de bevruchting kan plaats vinden. Spermacellen kunnen na de zaadlozing normaal gesproken ongeveer 48 uur hun bevruchtend vermogen behouden. (Dit is niet het geval als het zaad wordt geproduceerd en in het laboratorium wordt opgewerkt.) De zaadcellen kunnen zich makkelijker naar de baarmoeder verplaatsen omdat het baarmoederhalsslijm (cervixslijm) rondom de periode van de eisprong ‘spermavriendelijk’ is.
Bevruchten
Om een eicel te kunnen bevruchten, moeten de zaadcellen een verandering ondergaan (de capacitatie). Wanneer een zaadcel de wolk steuncellen (de cumulus cellen) rondom de eicel binnentreedt, vindt nog een andere proces plaats: de acrosoomreactie. Dit is nodig om de beschermende schil van de eicel (de zona pellucida) op te lossen. De zaadcel kan deze schil oplossen omdat de kop van de zaadcel stofjes (enzymen) bevat die bij contact met de zona pellucida vrij kunnen komen.
Met behulp van specifieke eiwitten, bindt de zaadcel vervolgens aan de wand van de eicel, waardoor beide wanden (van de zaad- en eicel) kunnen samen smelten en de genetische inhoud in de kop van de zaadcel kan binnendringen in de eicel. Dit is een belangrijke, maar lastige en complexe, stap in de bevruchting. Circa 1 dag na de zaadlozing of inseminatie, spreken we bij een bevruchting van een “zygote”. Zodra de mannelijke en de vrouwelijke kern met het genetisch materiaal versmelten en de eerste celdeling plaats vindt spreken we van het pré-embryo: het begin van nieuw leven.
Het is dus duidelijk dat het sperma aan vele eisen moet voldoen om zelfstandig een eicel te bevruchten. De kwaliteit van het sperma kan dan ook de ontwikkeling van het embryo fors beïnvloeden.
4. VERMINDERDE ZAADKWALITEIT
Problemen met de vruchtbaarheid van de man kan verschillende oorzaken hebben. Vaak is de hoeveelheid en beweeglijkheid van de zaadcellen niet optimaal, waardoor de eicel niet op tijd kan worden bereikt. Een slechte zaadkwaliteit is meestal te wijten aan een stoornis in de spermaproductie (spermatogenese). Een oorzaak hiervoor is meestal lastig aan te wijzen.
Mogelijke oorzaken van verminderde zaadkwaliteit
- een vroegere ontsteking in de zaad- of bijballen (bijv. wanneer de man de bof/boforchitis heeft gehad)
- een operatie op jonge leeftijd in verband met niet ingedaalde zaadballen
- als er bestraling of chemotherapie nodig is geweest in het verleden
- de aanwezigheid van varicocèle, een soort spatader in de balzak. Dit zou een (te) hoge temperatuur in de zaadballen veroorzaken, hetgeen van invloed kan zijn op de zaadkwaliteit
- ontbreken van het bevruchtend vermogen (bijvoorbeeld problemen met de capacitatie of acrosoomreactie)
- antistoffen op de spermacellen
- erfelijke factoren
- gebruik van bepaalde medicijnen of anabole steroïden
- ongezonde levensstijl: roken, gebruik van drugs of alcohol, obesitas.
Helaas ontbreekt in de meeste gevallen een duidelijke oorzaak.
Geen bevruchtend vermogen
Het kan voorkomen dat het zaad er volgens de uitslag van een zaadonderzoek ‘normaal’ uitziet, maar dat het geen bevruchtend vermogen heeft omdat de capacitatie of de acrosoomreactie niet optreedt. Dit komt pas tijdens een IVF behandeling aan het licht. Dit kan alleen onderzocht worden in een gespecialiseerd diagnostisch laboratorium, want deze aandoening komt maar weinig voor.
Antistoffen
Soms zijn er op de spermacellen antistoffen aanwezig. Hierdoor verliest het sperma zijn ‘progressief’ bewegend vermogen, dat wil zeggen dat ze niet in een rechte lijn bewegen. De antistoffen die op de zaadcellen aanwezig zijn, binden zich aan het baarmoederhalsslijm, waardoor de voortgaande beweging van het sperma verandert in een beweging op de plaats. Het transport naar de eileider wordt hierdoor tegengehouden. Gelukkig hebben niet alle gevallen van antistoffen een negatief effect op de vruchtbaarheid.
Antistoffen kunnen wel aangetoond worden, maar niet in alle gevallen zijn ze te verklaren. Antistoffen worden aangetoond bij 70% van de mannen die gesteriliseerd zijn doordat de bloed-testis barrière is onderbroken en blijven aanwezig na een hersteloperatie. Soms worden antistoffen gevonden na een ontsteking of trauma van de zaadballen.
Erfelijke factoren (genetische oorzaak)
Ook erfelijke factoren kunnen een rol spelen bij verminderde vruchtbaarheid. Bij ernstig verslechterde zaadkwaliteit of zelfs afwezigheid van zaadcellen in de lozing (azoöspermie), worden soms afwijkingen in het erfelijk materiaal (het DNA) gevonden. Soms gaat het om slechts één afwijking van één gen (een klein stukje DNA) maar soms worden ook grotere afwijkende gebieden (de chromosomen) gevonden.
Bij de meest extreme vormen van verminderde zaadkwaliteit of azoöspermie is de kans op een genetisch oorzaak groter. Door bloedonderzoek kan dit worden onderzocht. Als er een genetische oorzaak wordt gevonden kan dit een verhoogde kans op een miskraam of een kind met aangeboren afwijkingen geven. Een klinisch geneticus kan meer informatie geven over de risico’s en gevolgen.
Andere factoren en leefomstandigheden
- Overmatig alcoholgebruik (meer dan de maximale hoeveelheid van één tot twee glazen per dag) resulteert in een duidelijk verminderde zaadkwaliteit.
- Roken en drugs lijken ook een ongunstig effect te hebben op de kwaliteit van zaad.
- Een te hoge temperatuur in de zaadballen kan de veroorzaker zijn van een slechtere zaadkwaliteit. De temperatuur in de zaadballen hoort 35 graden te zijn, dit is lager dan de lichaamstemperatuur (37 graden). Door bijvoorbeeld het dragen van strakke (onder)broeken, door meerdere malen per maand een heet bad te nemen of naar de sauna te gaan, door aanwezigheid van een spatader in de balzak (varicocèle) en door een zittend beroep (bijv. vrachtwagenchauffeur) kan de temperatuur verhogen. Of door het zorgen voor een lagere temperatuur de kans op zwangerschap daadwerkelijk verbetert is nog niet goed onderzocht.
- Koorts of een virusinfectie kan tijdelijk een slechte zaadkwaliteit veroorzaken. Als je op het moment van het zaadonderzoek minder dan 75 dagen geleden koorts of een virusinfectie hebt gehad, kan dit de uitslag beïnvloeden. In dit geval kan een volgend zaadonderzoek (ongeveer 3 maanden na de koorts of ziekte) wellicht een positiever beeld opleveren.
- Het werken met chemische of radioactieve stoffen, bestrijdingsmiddelen, lood, ioniserende straling (bijv. röntgen) kan net als medicijngebruik, van invloed zijn op de zaadkwaliteit. Hier wordt nog altijd onderzoek naar gedaan. Risicogroepen zijn in ieder geval schilders en kwekerijpersoneel.
- Stress kan een oorzaak zijn van tijdelijk verminderde zaadproductie.
- Te vaak klaarkomen (meerdere keren per dag), kan een verminderd aantal zaadcellen per zaadlozing geven, hoewel de kwaliteit daar niet per se onder te lijden hoeft te hebben. Aan de andere kant kan door te weinig klaarkomen juist de beweeglijkheid van het zaad afnemen (sparen is in dit geval dus juist niet goed). Een optimale hoeveelheid zaadcellen wordt verkregen door eens in de twee- tot vijf dagen klaar te komen.
5. AFWEZIGHEID VAN ZAADCELLEN
Het kan ook voorkomen dat er helemaal geen zaadcellen worden gevonden in het ejaculaat. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat een genetisch probleem de oorzaak hiervan is. Bij deze mannen is de kans om zaad in de teelbal te vinden ongeveer 50%. De juiste diagnose kan worden gesteld aan de hand van verschillende bloedonderzoeken of een biopt uit de teelbal.
Er zijn twee vormen:
- obstructieve azoöspermie: door afwezigheid van de zaadleiders of door een blokkade in de zaadleiders
- niet-obstructieve azoöspermie: door een probleem in de aanmaak van de zaadcellen.
Mogelijke oorzaken van afwezigheid van zaadcellen
Mogelijke oorzaken van de afwezigheid van zaadleiders zijn:
- Aangeboren afwijkingen of als de man drager is van een erfelijke ziekte zoals CF (cystic fybrosis, taaislijmziekte). Nader bloedonderzoek kan meer informatie geven over de risico’s voor het nageslacht.
- Een probleem met de aanmaak van zaadcellen kan ook optreden als gevolg van een centraal probleem, bijvoorbeeld bij Kallmann syndroom (receptorstoornis) en congenitaal hypopituïtarisme (CHP).
- De zaadleiders kunnen verstopt zijn geraakt ten gevolge van een ziekte, bijvoorbeeld na een infectie op die plek. Mannen met afgesloten zaadleiders ten gevolge van een sterilisatie kunnen ook te maken krijgen met vruchtbaarheidsbehandelingen als men spijt heeft gekregen van de sterilisatie.
- Tot slot kunnen ejaculatiestoornissen problemen geven. Oorzaken kunnen impotentie of een retrogade ejaculatie zijn, waarbij het zaad in de blaas belandt.
6. STANDAARDONDERZOEKEN
Vruchtbaarheidsonderzoek bij de man begint met een zaadonderzoek. Daarnaast kan een algemeen lichamelijk onderzoek worden uitgevoerd. Verder bestaan er diverse aanvullende onderzoeken die alleen indien nodig (op indicatie) worden uitgevoerd.
De anamnese
Bij aanvang van vruchtbaarheidsonderzoek bij het paar wordt standaard gevraagd naar ziektes, het indalen van de ballen, operaties, gebruik van geneesmiddelen, koorts in de afgelopen drie maanden en naar de seksuele ontwikkeling (potentie, techniek en frequentie van de coïtus, eventuele pijn bij het vrijen). Ook worden lengte, gewicht en soms bloeddruk van de man gemeten. De arts let ook op de uiterlijke verschijning (postuur, beharing), afwijkingen van het normale patroon kunnen namelijk wijzen op een verstoorde hormoonhuishouding.
In veel ziekenhuizen krijgt de man alleen een afspraak bij een uroloog of andere gespecialiseerde arts (zoals een androloog) als bij het zaadonderzoek afwijkingen worden gevonden. De uitwendige geslachtsorganen worden onderzocht, het andrologisch onderzoek. De arts bekijkt de penis en voelt aan de balzak, dit laatste om zeker te weten dat de ballen (testes) zijn ingedaald en om na te gaan of er geen ontstekingen of spataderkluwen aanwezig zijn. Tot slot zal de prostaat met een vinger via de anus worden onderzocht.
Zaadonderzoek
Het belangrijkste en meest veelzeggende onderzoek bij de man is het zaadonderzoek.
Doel van dit onderzoek is een beeld te krijgen van de zaadkwaliteit. Het zaad wordt onderzocht op het aantal spermacellen, op de beweeglijkheid (motiliteit) en op de uiterlijke verschijning (morfologie).
Het zaad moet worden verkregen door masturbatie. Afhankelijk van het ziekenhuis, wordt gevraagd om thuis of in een speciale kamer in het ziekenhuis sperma te produceren. Het zaad moet in een (speciaal voor zaadmonsters bedoeld) potje worden opgevangen en binnen 1 uur naar het laboratorium worden gebracht. Gebruik geen condoom voor het opvangen, want deze kan de zaadkwaliteit aantasten.
Vaak adviseert men voorafgaand een zaadonderzoek 2 tot 5 dagen geen zaadlozing te hebben. Het zaadmonster mag niet te koud, maar ook niet te warm vervoerd worden; in de wintermaanden kan men het potje het beste op het lichaam vervoeren (bijv. in de broekzak) om afkoeling te voorkomen.
Soms is het nodig dat het zaad in het ziekenhuis wordt geproduceerd. De ziekenhuizen met een fertiliteitsafdeling hebben hiervoor een aparte kamer, waarvoor verschillende benamingen worden gebruikt, zoals het heren- of zaadkamertje, de productiekamer of masturbatorium.
Als bij een eerste zaadonderzoek een slechte zaadkwaliteit wordt aangetroffen, wordt het zaadonderzoek na ongeveer 3 maanden herhaald om na te gaan of er sprake was van toeval of van een structureel probleem. In het algemeen geldt dat de kwaliteit van het zaad van elke man kan verschillen per keer.
In het zaadonderzoek wordt gekeken naar:
- het volume van het ejaculaat
- de concentratie zaadcellen in miljoenen per milliliter / totaal in het ejaculaat
- de motiliteit (beweeglijkheid) van de spermatozoa, in te delen in de klassen: progressief‐ bewegend (voorwaartse beweging aanwezig), niet progressief‐ bewegend (alleen ter plekke bewegend) en stilliggend
- de morfologie (vorm) van de spermatozoa
- de aanwezigheid van andere cellen in het zaadmonster.
Uitslagen van zaadonderzoek
De criteria voor kwantiteit en kwaliteit die in deze brochure worden genoemd, zijn gemiddelden. In de Nederlandse ziekenhuizen worden verschillende telmethoden gehanteerd en daardoor kunnen grenzen en ‘normaalwaarden’ verschillen. Inmiddels wordt er wel gewerkt aan standaardisatie van de meetcriteria. De hieronder genoemde waarden zijn door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2010) geadviseerd.
Overleg met uw eigen arts welke waarden gehanteerd worden.
- Aantal:
Normaal komen er gemiddeld bij een zaadlozing in totaal 200 miljoen zaadcellen vrij. - Concentratie:
Een normale concentratie is 40 miljoen (of meer) per ml. zaadcellen. Een man wordt verminderd vruchtbaar genoemd als er minder dan 15miljoen spermacellen per milliliter ejaculaat (zaadlozing) worden aangetroffen. Er is sprake van een ernstige zaadafwijking als er minder dan 10 miljoen zaadcellen per ml. worden gevonden. Een lager aantal spermacellen dan normaal, wordt oligozoöspermie genoemd. Als er herhaaldelijk helemaal geen zaadcellen worden gevonden spreekt men van azoöspermie. - Beweeglijkheid:
De beweeglijkheid (motiliteit) van het sperma zegt iets over de kans dat het sperma op eigen kracht naar de eicel in de eileider toe kan zwemmen. Motiliteit blijkt een belangrijke waarde te zijn van zaadkwaliteit. ‘Normaal’ is wanneer tenminste 32% van de zaadcellen progressief beweegt waarvan 25% goed/snel vooruit beweegt. De beweeglijkheid is optimaal bij een temperatuur van 37 °C (= lichaamstemperatuur). Een motiliteit van minder dan 25% vooruit bewegende zaadcellen wordt asthenozoöspermie genoemd.
Selectie van de meest beweeglijke zaadcellen is mogelijk. Deze kunnen intra-uterien (in de baarmoeder) worden geïnsemineerd. - Vorm:
Bij elke man komen zaadcellen met een afwijkende vorm voor. Als minder dan 4% van de zaadcellen een normale vorm heeft (morfologie), spreekt men van teratozoöspermie. - Hoeveelheid semen:
De hoeveelheid vocht (het volume van het semen) is normaal tussen de 2 en 5 ml per ejaculaat. Een laag volume kan wijzen op problemen bij de productie of het niet goed kunnen ejaculeren (retrograde ejaculatie in de richting van de blaas). Dit laatste kan vastgesteld worden door urine-onderzoek; er worden dan zaadcellen aangetroffen in de urine.
De meest voorkomende termen bij de diagnose na zaadonderzoek:
- Goede zaadkwaliteit: normospermie
- Verminderd aantal (concentratie) zaadcellen: oligozöospermie
- Slecht beweeglijke (motiliteit) zaadcellen: asthenozoöspermie
- Afwijkende vorm (morfologie) zaadcellen: teratozöospermie
- Geen zaadcellen gevonden: azoöspermie
- VCM: totaal aantal bewegende zaadcellen per ejaculaat. Dit is te berekenen door het Volume van het ejaculaat (V) te vermenigvuldigen met zaadcel concentratie (C) en met het percentage goed/progressief bewegende zaadcellen (M)/100
Bij verminderde zaadkwaliteit gaat het vaak om een combinatie van een verminderd aantal zaadcellen, afwijkende vorm en slechte beweeglijkheid (oligo-astheno-teratozoöspermie).
Bij een slechte uitslag kun je naar een gespecialiseerd uroloog-androloog worden doorverwezen.
7. ONDERZOEKEN OP INDICATIE
Onderstaande onderzoeken worden niet beschouwd als standaardonderzoeken en worden alleen gedaan als dit in jouw geval zinvol lijkt.
MAR-test of IBT-test
Onderzocht wordt of er antistoffen tegen zaadcellen (anti-sperma antilichamen) in het ejaculaat aanwezig zijn. Doorgaans wordt gekeken naar twee soorten antistoffen; IgA en IgG. Aanwezigheid van antistoffen bij een groot percentage zaadcellen (meer dan 90%) geeft een kleinere kans op bevruchting. Dit is ook het geval als de antistoffen in het bloed aantoonbaar zijn bij een verdunning (titer) van 512x.
pH-bepaling van het zaad
Een afwijkende zuurgraad wordt vaak aangetroffen in combinatie met een gering volume en azoöspermie. Bij een pH-waarde kleiner dan 7 geeft dat een aanwijzing dat de zaadleiders geblokkeerd of afwezig zijn. Een pH-waarde van meer dan 7.8 bij azoöspermie kan wijzen op een ontsteking.
De post-coïtumtest (PCT)
Deze test wordt in sommige ziekenhuizen nog uitgevoerd en vindt plaats bij de vrouw. Het resultaat kan tonen of en hoe lang het sperma levend aanwezig is in het baarmoederhalsslijm. Het paar moet de avond voor het onderzoek gemeenschap hebben. ’s Ochtends wordt slijm van de baarmoederhals bij de vrouw afgenomen en beoordeeld. Er wordt gekeken naar de beweeglijkheid van het nog levende sperma in het baarmoederhalsslijm. De post-coïtumtest moet in de meest vruchtbare periode van de cyclus worden gedaan. Andere benamingen voor de test zijn Simms-Hühner- of samenlevingstest.
Als de uitslag van het zaadonderzoek goed is, maar de uitslag van de post-coïtumtest is negatief, kan dit duiden op antistoffen op de zaadcellen. Doet deze situatie zich voor, dan is nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze antistoffen nodig.
Een test die op het verkeerde tijdstip wordt uitgevoerd – dat wil zeggen te ver voor of na de eisprong – kan ten onrechte geen goed beweeglijke zaadcellen laten zien. Maar ook is het mogelijk dat er helemaal niets mis is terwijl uit de test ‘blijkt’ dat er geen goed beweeglijke zaadcellen zijn. Dit is de reden dat veel gynaecologen deze test niet meer uitvoeren of er niet zoveel waarde aan hechten.
Sperma-mucus-test
Dit is een variatie op de post-coïtum-test en wordt in het laboratorium uitgevoerd. De arts neemt van de vrouw een beetje slijm weg bij de baarmoedermond en brengt dit op een glaasje aan, het door masturbatie verkregen sperma wordt er bij gevoegd en na een paar uur wordt bekeken of de zaadcellen goed zijn doorgedrongen in het slijm.
Het is ook mogelijk om te kijken hoe het zaad beweegt in slijm van iemand anders, en te kijken hoe het zaad van iemand anders beweegt in het slijm van je partner (de zogenaamde gekruiste sperma-mucus-test). Deze test heeft ook een zwak voorspellende waarde voor de vruchtbaarheid van het paar, daarom wordt beperkt ingezet als diagnostische test.
Bloedonderzoek
Na bloedafname bepaalt men in het laboratorium de hoeveelheid van het follikelstimulerend hormoon (FSH) in het bloed. Dit hormoon is van belang bij de sperma-aanmaak. Bij te weinig FSH valt soms een hormoonkuur te overwegen. Te weinig FSH is een weinig voorkomende oorzaak voor een tekort aan zaadcellen.
Ook de testosteronspiegel in het bloed kan men bepalen. Het testosterongehalte is een maat voor het functioneren van de testikels.
In geval er verdenking is op erfelijke (genetische) factoren kan bloedonderzoek ook duidelijkheid geven. Daarbij wordt gelet op de vorm en het aantal chromosomen. Daarnaast kan DNA-onderzoek worden verricht waarbij wordt gekeken naar afwijkingen op de genen. Een voorbeeld van een genetische afwijking is het ontbreken van erfelijk materiaal (DNA) op het Y-chromosoom.
Het afwezig zijn van de zaadleiders is een reden om DNA-onderzoek te verrichten. Wanneer sprake is van een genetische oorzaak, is het van belang om advies te vragen voor verder onderzoek en behandeling bij een van de expertise centra in Nederland.
Echografisch onderzoek
Als er bij lichamelijk onderzoek afwijkingen worden gevonden of als er sprake is van een afwijkende hoeveelheid of kwaliteit van de zaadvloeistof wordt soms een echo gemaakt van de balzak, de prostaat en de zaadblaasjes. Mannen met een zeer laag aantal zaadcellen in het ejaculaat of een azoöspermie, hebben een iets verhoogde kans op testistumoren.
8. BEHANDELINGSMOGELIJKHEDEN
Bij verminderde mannelijke vruchtbaarheid staan verschillende behandelingsmogelijkheden open. In deze brochure worden ze kort genoemd.
IUI
Als er na het opwerken van het ejaculaat meer dan 1 miljoen bewegende spermacellen per ml in het zaad aanwezig zijn, kan in de eerste instantie een IUI-behandeling (Intra Uteriene Inseminatie) worden gedaan. Bij IUI wordt het zaad direct in de baarmoeder gebracht op het juiste moment in de cyclus van de vrouw (rondom de eisprong). Voor de IUI moet het zaad eerst een bewerking ondergaan, het zogenaamde ‘opwerken’. Dit is een methode om de meest beweeglijke zaadcellen te scheiden van de rest het sperma.
IVF
Zijn er bij de vrouw ook problemen die het ontstaan van een zwangerschap belemmeren of leveren inseminaties (IUI) geen resultaat op, dan kan IVF (In Vitro Fertilisatie) een behandelmethode zijn. Ook voor IVF moet er minstens 1 miljoen zaadcellen per ml gevonden worden, waarvan er minimaal 500.000 goed progressief bewegende zaadcellen overblijven na het opwerken van het zaad. In het laboratorium worden eicel(len) en zaadcellen in een kweekschaaltje bij elkaar gedaan, waarna bevruchting kan optreden.
ICSI
Als er minder dan 1 miljoen spermacellen per ml in het zaad aanwezig, anti-stoffen aanwezig zijn of de acrosoomreactie en/of capacitatie niet optreedt, of bij een combinatie van bovengenoemde factoren, behoort ICSI (Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie) tot de behandelingsmogelijkheden. Een ICSI behandeling is voor het paar gelijk aan een IVF behandeling, het verschil zit in het laboratoriumwerk. In het laboratorium wordt een geselecteerde zaadcel direct in een eicel gebracht. ICSI wordt ook toegepast als bij IVF blijkt dat er geen bevruchting optreedt.
MESA en PESA
Bij geblokkeerde of afwezige zaadleiders kan meestal toch zaad worden verkregen door middel van de MESA- of PESA-behandeling (microchirurgische sperma aspiratie/ percutane sperma aspiratie). Bij deze behandeling wordt het sperma uit de bijbal gehaald door middel van een microchirurgische operatie of een punctie. Deze behandeling wordt altijd in combinatie met ICSI uitgevoerd. MESA en PESA wordt niet in iedere kliniek in Nederland toegepast. Je kunt hiervoor terecht in de volgende ziekenhuizen: RadboudUMC Nijmegen, Amsterdam UMC, UMC Utrecht, UMC Groningen, ETZ Tilburg, Erasmus MC Rotterdam.
Als bij de PESA/MESA ingreep voldoende zaadcellen zijn gevonden, kunnen deze ingevroren worden zodat in een later stadium deze gebruikt kunnen worden de daadwerkelijke ICSI behandeling.
TESE en micro-TESE
TESE (testiculaire sperma extractie) kan worden gedaan als er geen zaadcellen in het ejaculaat gevonden zijn of de zaadleiders ontbreken. Dit is de aangewezen behandeling bij een ernstig probleem in de zaadaanmaak.
Bij TESE wordt middels een kleine operatie, weefsel uit de teelbal (een biopt) gehaald om te onderzoeken of er zaadcellen aanwezig zijn. De TESE wordt meestal onder lokale verdoving uitgevoerd. Alleen op indicatie is algehele narcose mogelijk.
Bij een MICRO-TESE wordt dezelfde procedure uitgevoerd, alleen dan met gebruik van een operatie-microscoop. Zo wordt direct bekeken welke zaadbuisjes in de teelbal het meest geschikt zijn en de meeste kans geven om zaadcellen te vinden. De keuze voor een TESE of micro-TESE hangt van meerdere factoren af, de uroloog zal dit met je bespreken. Deze operatie wordt in het algemeen onder algehele narcose uitgevoerd.
Als bij de TESE ingreep voldoende zaadcellen zijn gevonden, kunnen deze ingevroren worden zodat in een later stadium deze gebruikt kunnen worden bij de ICSI behandeling.
Alleen bij de Expertisecentra mannelijk onvruchtbaarheid wordt de diagnostische TESE (of micro-TESE) uitgevoerd. De volgende ziekenhuizen zijn expertisecentra: RadboudUMC Nijmegen, Amsterdam UMC (lokatie AMC), UMC Utrecht, UMC Groningen, ETZ Tilburg, Erasmus MC Rotterdam.
AOA
In zeldzame gevallen ontbreekt bij de zaadcel het acrosoom (enzym in de kop), waardoor de zaadcel niet in de eicel kan doordringen en zelfs met behulp van ICSI de eicel niet kan activeren. Deze zaadcellen zien er vaak afwijkend uit, vaak is er sprake van globozöospermie. Dit is een zeldzame genetische afwijking. Met geassisteerde eicelactivatie (AOA; assisted oocyte activation/geassisteerde eicel activatie), waarbij tijdens de ICSI behandeling een stofje tegelijk met de zaadcel in de eicel wordt gebracht, is het wel mogelijk een bevruchting tot stand te brengen. Deze behandeling wordt uitgevoerd in het RadboudUMC in Nijmegen.
Hormoontherapie
Als er sprake is van een tekort aan de hormonen LH en FSH wordt soms hormoontherapie aan de man voorgeschreven.
In het verleden kregen mannen waarbij geen hormoonafwijking werd gevonden, soms ook hormonen (bijv. clomifeen) voorgeschreven. Het effect hiervan is echter nooit bewezen en dit wordt nu dan ook zo goed als niet meer toegepast.
KID
Als er helemaal geen goede zaadcellen worden aangetroffen of het paar niet kiest voor de andere behandelmogelijkheden, kan KID (Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad) wellicht een optie zijn. Voor deze mogelijkheid kan ook gekozen worden wanneer sprake is van (dragerschap van) een erfelijke ziekte bij de man.
Operatieve ingreep
Een spataderkluwen in de balzak (varicocèle) zou mogelijk verminderde vruchtbaarheid veroorzaken doordat de temperatuur in de balzak hoger wordt. Soms wordt dan voorgesteld operatief in te grijpen. Een spataderkluwen ontstaat doordat een ader het bloed vanuit de balzak niet goed afvoert. Spataderen zijn het gevolg.
Bij een operatie wordt deze afvoerende ader afgesloten. Daardoor verdwijnen ook de spataderen. Er blijven voldoende aderen over die het bloed wel kunnen afvoeren.
De behandeling kan op twee verschillende manieren gebeuren:
- De ader wordt afgebonden, zodat het bloed er niet meer doorheen stroomt. Hiervoor maakt de uroloog onderin de buik een sneetje. Ook kan de operatie via een kijkbuisje plaatsvinden. Het is een kleine ingreep.
- Een spiraaltje in de ader gebracht zodat er geen bloed meer doorheen kan stromen. De ingreep gebeurt onder plaatselijke verdoving door de radioloog en is weinig belastend. Je kunt direct na afloop weer naar huis.
Artsen verschillen echter van mening over het nut van deze ingreep. Soms wordt een verbetering van de spermakwaliteit gezien, maar dat is niet altijd het geval. Een grotere kans op zwangerschap kan niet bewezen noch uitgesloten worden. Bij de beslissing om deze ingreep te ondergaan spelen verschillende zaken een rol: onder andere of er nog andere factoren gevonden zijn waardoor er geen zwangerschap ontstaat en hoever jij en je partner willen gaan met andere behandelingsmethoden.
Aanvullende geneeswijzen
Er is geen overtuigend wetenschappelijk bewijs dat de kwaliteit van het sperma verbetert na aanvullende geneeswijzen, zoals een acupunctuurbehandeling of een behandeling met homeopathische medicijnen. De kwaliteit van het zaad kan namelijk sterk wisselen, dus valt verbetering niet zonder meer aan een behandeling toe te schrijven.
9. WAT KUN JE ZELF DOEN?
Wat kun je zelf doen als blijkt dat je een verminderde zaadkwaliteit hebt? Voor onderstaande tips geldt dat nooit echt goed onderzocht is of ze de kwaliteit van het sperma of de kans op zwangerschap echt verbeteren. Toch is het niet onmogelijk dat het van invloed is op het sperma. Omdat de vorming van een zaadcel ongeveer drie maanden duurt, kun je pas na die periode een eventuele verbetering van de spermakwaliteit merken.
- Vermijd overmatige warmte van de ballen:
- Draag zo mogelijk ruim zittend luchtig ondergoed (katoenen boxershort) in combinatie met een ruime broek. Slaap liefst zonder onderbroek of eventueel met een ruim zittend exemplaar.
- Vermijd langdurig heet bad en sauna
- Gebruik liever geen elektrische deken.
- Niet sparen:
- Het ‘sparen’ van sperma lijkt niet goed te zijn voor de kwaliteit. Ongeveer twee à drie zaadlozingen per week is mogelijk het beste.
- Leef gezond:
- Eet gezonde voeding met voldoende vitaminen.
- Probeer te stoppen met roken en overmatig alcoholgebruik.
- Vermijd drugs en anabole steroïden.
10. WAT BIEDT FREYA JOU?
In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat de behoefte om met anderen in contact te komen over dit gevoelige onderwerp zeker ook bij mannen bestaat. Wel lijkt het erop dat de man het in het algemeen lastiger vindt om een dergelijk gesprek te beginnen. Freya is er ook voor mannen!
Soms kunnen reacties uit de omgeving het praten ook moeilijk maken. Er zijn helaas nog steeds mensen die vruchtbaarheidsproblemen verwarren met potentieproblemen. Maar als blijkt dat een man verminderd vruchtbaar of onvruchtbaar is, is hij daardoor niet minder mannelijk.
Een ander punt is dat veel mannen hun vrouw – die immers vaak de vruchtbaarheidsbehandeling moet ondergaan – willen steunen. Daarvoor onderdrukken zij niet zelden hun eigen gevoelens. Bedenk dat het juist belangrijk is om elkaar te begrijpen om elkaar te steunen. Door het bespreken van gevoelens kunnen partners dichter bij elkaar komen.
Ook contact met een (mannelijke) lotgenoten kan opluchten.
Freya biedt diverse mogelijkheden om met anderen in contact te komen, zo is er een speciale besloten mannengroep op Facebook, er is een Whatsappgroep (deelnemen? mail ons) en worden er speciaal voor de mannen ‘bondgenoten-avonden’ georganiseerd. Uiteraard zijn mannen ook van harte welkom op alle bijeenkomsten die Freya organiseert. Veel paren komen samen. Aankondigingen van bijeenkomsten zijn te vinden in de agenda van Freya en in het Freya Magazine.
11. Wil je meer lezen?
- Freya’s mannenpagina
- Informatie over vruchtbaarheidsonderzoek bij de man op Thuisarts.nl
- Informatie over het gebruik van alcohol en drugs bij kinderwens
- Richtlijn semenanalyse 2011
- Richtlijn mannelijke subfertiliteit 2010
- Patiëntinformatie afgesloten zaadleiders en kinderwens
Deze brochure is tot stand gekomen met medewerking van:
Bestuur SIG Andrologie van de NVOG (special interest group Andrology) , gecontroleerd door Roos Smits (RadboudUMC), Astrid Cantineau (UMCG) en Liliana Ramos (RadboudUMC)
Dit is een uitgave van:
Freya, vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen ©
José Knijnenburg, februari 2020
Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend, tevens aanvaardt Freya geen aansprakelijkheid indien regels door instanties anders worden gehanteerd.


