Vruchtbaarheidsproblemen bij de man

De informatie in deze brochure wordt momenteel geactualiseerd.

Vruchtbaarheidsproblemen bij de man

brochure nr. 3

Inleiding

In de helft van de gevallen waarbij een zwangerschap uitblijft, blijkt de oorzaak (mede) te liggen bij de mannelijke partner. Bij mannen is er niet vaak sprake van algehele onvruchtbaarheid (infertiliteit), maar vaak van verminderde vruchtbaarheid (subfertiliteit) doordat de kwaliteit van het sperma niet optimaal is. Als het bevruchtend vermogen van het sperma lager is dan normaal, kan dit door diverse onderzoeken worden vastgesteld. In deze brochure wordt ingegaan op de achtergronden van een slechte(re) zaadkwaliteit, op andere, minder vaak voorkomende oorzaken voor mannelijke sub- en infertiliteit en op behandelingsmogelijkheden.

Spermaproductie

Bij de geboorte zijn geslachtscellen al aanwezig. Vanaf de puberteit neemt het aantal geslachtscellen door celdeling toe. Deze geslachtscellen noemt men spermatiden en deze ontwikkelen zich tot spermatozoa (de zaadcellen) in een continu rijpingsproces van ongeveer 75 dagen. Het rijpingsproces kan negatief worden beïvloed door externe factoren zoals bijv. koorts en virusinfectie.

Wat moet een zaadcel kunnen?

Na de zaadlozing moeten de zaadcellen een weg van 12 tot 17 cm afleggen, vanaf de baarmoedermond, via de baarmoederhals, baarmoeder en eileider naar de vrije buikholte. Spermacellen behouden normaal gesproken gedurende ongeveer 48 uur hun bevruchtend vermogen. De zaadcellen hebben ongeveer 5 minuten nodig om de eileider, waarin de bevruchting plaatsvindt, te bereiken. Het transport van de zaadcellen wordt vergemakkelijkt door het baarmoederhalsslijm (cervixslijm) dat in de meest vruchtbare periode van de maand zeer ‘spermavriendelijk’ is.
In dit baarmoederhalsslijm worden de zaadcellen biochemisch veranderd (capacitatie). Deze biochemische verandering is voor het zaad noodzakelijk om de eicel te kunnen bevruchten. Wanneer een zaadcel binnen de wolk steuncellen rondom de eicel treedt, vindt de zogenaamde acrosoomreactie plaats. Dit is een versmelting van membranen op de kop van de zaadcel, waardoor enzymen vrijkomen die nodig zijn om de buitenste wand van de eicel te doordringen.
Met behulp van deze enzymen boort de zaadcel zich door de harde wand van de eicel, deze wand heet de zona pellucida. Door het versmelten van de mannelijke en de vrouwelijke kern ontstaat de zygote. Hieruit ontwikkelt zich het pré-embryo: het begin van nieuw menselijk leven.

Het is dus duidelijk dat het sperma aan vele eisen moet voldoen om in staat te zijn zelfstandig een eicel te bevruchten.

Verminderde zaadkwaliteit

Problemen met de vruchtbaarheid van de man kan vele oorzaken hebben. Vaak is de kwaliteit (beweeglijkheid en vorm) van de zaadcellen niet optimaal, waardoor de eicel niet op tijd wordt bereikt. Een slechte zaadkwaliteit is meestal te wijten aan een stoornis in de spermaproductie, de spermiogenese. Een oorzaak voor een dergelijke stoornis wordt vaak niet duidelijk. Ook kan de kwantiteit (aantal aanwezige goede
zaadcellen) te wensen overlaten.

Mogelijke oorzaken van slechte zaadkwaliteit

  • een vroegere ontsteking in de zaad- of bijballen (bijv. wanneer de man na de puberteit de bof heeft gehad)
  • een operatie op jonge leeftijd in verband met niet ingedaalde zaadballen
  • als er bestraling of chemotherapie nodig is geweest in het verleden
  • de aanwezigheid van varicocèle, een soort spatader in de balzak. Dit zou een (te) hoge temperatuur in de zaadballen veroorzaken, hetgeen van invloed kan zijn op de zaadkwaliteit
  • ontbreken van het bevruchtend vermogen
  • antistoffen op de spermacellen
  • erfelijke factoren
  • gebruik van bepaalde medicijnen en anabole steroïden
  • geen duidelijke oorzaak

Geen bevruchtend vermogen

Het kan voorkomen dat het zaad er volgens de uitslag van een zaadonderzoek ‘normaal’ uitziet, maar dat het geen bevruchtend vermogen heeft omdat de capacitatie of de acrosoomreactie niet optreedt.

Antistoffen

Soms zijn er op de spermacellen antistoffen aanwezig. Hierdoor verliest het sperma zijn bewegend vermogen. De antistoffen die op de zaadcellen aanwezig zijn, binden zich aan het baarmoederhalsslijm, waardoor de voortgaande beweging van het sperma verandert in een beweging ter plaatse. Het transport naar de eileider wordt hierdoor geblokkeerd. Niet in alle gevallen hebben antistoffen een negatief effect op de vruchtbaarheid.
Antistoffen zijn wel aantoonbaar maar niet in alle gevallen verklaarbaar. Dit probleem ontstaat bij 70% van de mannen die gesteriliseerd zijn en blijft bestaan na een hersteloperatie. Soms worden ook antistoffen gevonden na een ontsteking of trauma van de zaadballen.

Erfelijke factoren

Ook erfelijke factoren kunnen een rol spelen bij verminderde vruchtbaarheid. Bij hele slechte zaadkwaliteit worden soms afwijkingen op de chromosomen gevonden. Door bloedonderzoek kan dit nader worden onderzocht. Soms is er in dit geval een verhoogde kans op een miskraam of een kind met aangeboren afwijkingen. Een klinisch geneticus kan meer informatie geven over de risico’s.

Andere factoren en leefomstandigheden

  • Overmatig alcoholgebruik (meer dan twee glazen per dag) resulteert in een duidelijk verminderde zaadkwaliteit.
  • Roken en drugs lijken eveneens een ongunstig effect te hebben op de kwaliteit van zaad.
  • Een te hoge temperatuur in de zaadballen geldt eveneens als veroorzaker van een slechtere zaadkwaliteit. De temperatuur in de zaadballen hoort 35 graden te zijn, dit is lager dan de lichaamstemperatuur (37 graden). Door bijvoorbeeld het dragen van strakke (onder)broeken, door veelvuldig een heet bad te nemen of naar de sauna te gaan, door een varicocèle (spatader in de balzak) en door een zittend beroep (bijv. vrachtwagenchauffeur) kan de temperatuur verhoogd zijn. Of door het zorgen voor een lagere temperatuur de kans op zwangerschap daadwerkelijk verbetert is nog niet goed onderzocht.
  • Te vaak klaarkomen (meerdere keren per dag), kan bijdragen aan een verminderd aantal zaadcellen per zaadlozing. Door te weinig klaarkomen kan de kwaliteit van het zaad eveneens verminderen. Een optimale hoeveelheid zaadcellen wordt verkregen door eens in de drie tot vijf dagen klaar te komen.
  • Het werken met chemische of radio-actieve stoffen, bestrijdingsmiddelen, lood, ioniserende straling (bijv. röntgen) kan net als medicijngebruik, van invloed zijn op de zaadkwaliteit. Hier wordt nog altijd onderzoek naar gedaan. Risicogroepen zijn in ieder geval schilders en kwekerijpersoneel.
  • Stress kan een oorzaak zijn van tijdelijk verminderde zaadproductie.
  • Koorts of een virusinfectie kan een slechte zaadkwaliteit veroorzaken. Als je op het moment van het zaadonderzoek minder dan 75 dagen geleden koorts of een virusinfectie hebt gehad, kan dit de uitslag beïnvloeden. In dit geval kan een volgend zaadonderzoek (ongeveer 3 maanden na de koorts of ziekte) wellicht een positiever beeld opleveren.

Afwezigheid van zaadcellen

Het kan ook voorkomen dat er helemaal geen zaadcellen worden gevonden in het sperma door afwezige zaadleiders. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de man een aangeboren afwijking heeft of drager is van een erfelijke ziekte als CF (cystic fybrosis, taaislijmziekte). Nader bloedonderzoek kan meer informatie verschaffen over de risico’s voor een kind.
De zaadleiders kunnen ook verstopt zijn geraakt ten gevolge van een ziekte. Een andere groep krijgt met vruchtbaarheidsbehandelingen te maken nadat men spijt krijgt van een sterilisatie.
Tot slot kunnen ejaculatiestoornissen problemen geven. Oorzaken kunnen zijn impotentie of een retrogade ejaculatie, waarbij het zaad in de blaas belandt.

Standaardonderzoeken bij de man

Vruchtbaarheidsonderzoek bij de man begint met een sperma-analyse en ook kan een algemeen onderzoek worden uitgevoerd. Daarnaast bestaan er diverse aanvullende onderzoeken die alleen indien nodig (op indicatie) worden uitgevoerd.

De anamnese

In veel ziekenhuizen onderzoekt men de man alleen als bij het zaadonderzoek afwijkingen worden gevonden. Er wordt gevraagd naar ziektes, het indalen van de ballen, operaties, gebruik van geneesmiddelen, koorts in de afgelopen drie maanden en naar de seksuele ontwikkeling (potentie, techniek en frequentie van de coïtus, eventuele pijn bij het vrijen).
Vervolgens worden lengte, gewicht en bloeddruk van de man gemeten. De arts let ook op de uiterlijke verschijning (postuur, beharing), afwijkingen van het normale patroon kunnen namelijk wijzen op een verstoorde hormoonhuishouding.
Daarna kunnen de uitwendige geslachtsorganen worden onderzocht, het andrologisch onderzoek. De arts bekijkt de penis en voelt aan de balzak, dit laatste om zeker te weten dat de ballen (testes) zijn ingedaald en na te gaan gaan of er geen ontstekingen of spataderkluwen aanwezig zijn. Tot slot zal de prostaat met een vinger via de anus worden onderzocht.

Zaadonderzoek

Het belangrijkste en meest veelzeggende onderzoek bij de man is het zaadonderzoek.
Doel van dit onderzoek is een beeld te krijgen van de zaadkwaliteit. Het zaad wordt onderzocht op het aantal spermacellen, op de beweeglijkheid (motiliteit) en op de uiterlijke verschijning (morfologie).
Het zaad moet worden verkregen door masturbatie. Meestal kun je thuis sperma produceren en naar het ziekenhuislaboratorium brengen voor onderzoek.
Vaak adviseert men 2 tot 7 dagen voor het inleveren geen zaadlozing te hebben. Het zaad moet binnen 1 uur in een speciaal voor zaadmonsters bedoeld potje worden opgevangen en naar het laboratorium worden gebracht. Gebruik geen condoom voor het opvangen, want deze kan de zaadkwaliteit aantasten.
Het zaadmonster moet op het lichaam worden vervoerd (bijv. in de broekzak) om afkoeling te voorkomen. Soms is het nodig dat het zaad in het ziekenhuis wordt geproduceerd. De ziekenhuizen met een fertiliteitsafdeling hebben hiervoor een apart kamertje, waarvoor verschillende benamingen worden gebruikt, zoals heren- of zaadkamertje of masturbatorium.
Als bij een eerste sperma-onderzoek een slechte zaadkwaliteit wordt aangetroffen, wordt het zaadonderzoek na ongeveer 3 maanden herhaald om te kijken of er sprake was van toeval of van een structureel probleem. In het algemeen geldt dat de kwaliteit van het zaad van elke man sterk kan verschillen per keer.

In het zaadonderzoek wordt gekeken naar:

  • het volume van het zaadmonster
  • de concentratie zaadcellen in miljoenen per milliliter
  • de motiliteit (beweeglijkheid) van de spermatozoa, in te delen in de klassen: progressief‐ bewegend (voorwaartse beweging aanwezig), niet progressief‐ bewegend (alleen ter plekke bewegend) en stilliggend
  • de morfologie (vorm) van de spermatozoa
  • de aanwezigheid van andere cellen in het zaadmonster

Uitslagen

De criteria voor kwantiteit en kwaliteit die in deze brochure worden genoemd, zijn gemiddelden. In de Nederlandse ziekenhuizen worden verschillende telmethoden gehanteerd en daardoor kunnen grenzen en ‘normaalwaarden’ verschillen. Inmiddels wordt er wel gewerkt aan standaardisatie van de meetcriteria. De hieronder genoemde waarden zijn door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geadviseerd. Een andere veel gehanteerde grenswaarden zijn: meer dan 7 miljoen zaadcellen, 18% beweeglijkheid en 4% normale vorm. Overleg met uw eigen arts welke waarden gehanteerd worden.

  • Aantal : Normaal komen er gemiddeld bij een zaadlozing 200 miljoen zaadcellen in totaal vrij.
    Concentratie: Een normale concentratie is 40 miljoen (of meer) per ml. spermacellen. Een man wordt verminderd vruchtbaar genoemd als er minder dan 20 miljoen spermacellen per milliliter ejaculaat (zaadlozing) worden aangetroffen. Er is sprake van een ernstige zaadafwijking als er minder dan 10 miljoen zaadcellen per ml. worden gevonden. Een lager aantal spermacellen dan normaal, wordt oligozoöspermie genoemd. Als er herhaaldelijk helemaal geen zaadcellen worden gevonden spreekt men van azoöspermie.
  • Beweeglijkheid : De beweeglijkheid (motiliteit) van het sperma zegt iets over de kans dat het sperma op eigen kracht naar de eicel in de eileider toe kan zwemmen. Motiliteit blijkt een belangrijke waarde te zijn van zaadkwaliteit. ‘Normaal’ is wanneer tenminste 50% van de zaadcellen beweegt waarvan 25% goed, dus vooruit, beweegt. De beweeglijkheid is optimaal bij een temperatuur van 37 °C (= lichaamstemperatuur). Een motiliteit van minder dan 25% vooruitbewegende zaadcellen wordt asthenozoöspermie genoemd.
    Selectie van de meest beweeglijke zaadcellen is mogelijk. Deze kunnen intra-uterien (in de baarmoeder) worden geïnsemineerd.
  • Vorm : Bij elke man komen zaadcellen met een afwijkende vorm voor. Als meer dan 20% van de zaadcellen qua vorm (morfologie) afwijkt van het normale beeld, spreekt men van teratozoöspermie.
  • Hoeveelheid semen : De hoeveelheid vocht (het volume van het semen) is normaal tussen de 2 en 5 ml per ejaculaat. Een laag volume kan wijzen op problemen bij de productie of het niet goed kunnen ejaculeren (retrograde ejaculatie in de richting van de blaas). Dit laatste kan vastgesteld worden door urine-onderzoek; er worden dan zaadcellen aangetroffen in de urine.

Meest voorkomende termen bij de diagnose na zaadonderzoek:

  • Goede zaadkwaliteit: normozoöspermie
  • Verminderd aantal (concentratie) zaadcellen: oligozoöspermie
  • Slecht beweeglijke (motiliteit) zaadcellen: teratozoöspermie
  • Afwijkende vorm (morfologie) zaadcellen: asthenozoöspermie
  • Geen zaadcellen gevonden: azoöspermie
  • VCM: totaal aantal bewegende zaadcellen per ejaculaat. Dit is te berekenen door het Volume van het ejaculaat (V) te vermenigvuldigen met zaadcel concentratie (C) en met het percentage goed (type A en B) bewegende zaadcellen (M)/100

Bij verminderde zaadkwaliteit gaat het vaak om een combinatie van een verminderd aantal zaadcellen, afwijkende vorm en slechte beweeglijkheid (oligo-astheno-teratozoöspermie).

Bij een slechte uitslag kun je naar een gespecialiseerd uroloog-androloog worden doorverwezen.

Onderzoeken op indicatie

Onderstaande onderzoeken worden niet beschouwd als standaardonderzoeken en worden alleen gedaan als dit in jouw geval zinvol lijkt.

MAR-test of IBT-test

Onderzocht wordt of er antistoffen tegen zaadcellen (anti-sperma antilichamen)  in het ejaculaat aanwezig zijn. Doorgaans wordt gekeken naar twee soorten antistoffen; IgA en IgG. Aanwezigheid van antistoffen bij een groot percentage zaadcellen (meer dan 90%) geeft een kleinere kans op bevruchting. Dit is ook het geval als de antistoffen in het bloed aantoonbaar zijn bij een verdunning (titer) van 512x.

Ph-bepaling van het semen

Een afwijkende zuurgraad wordt vaak aangetroffen in combinatie met een gering volume en azoöspermie. Bij een pH-waarde kleiner dan 7 geeft dat een aanwijzing dat de zaadleiders geblokkeerd of afwezig zijn. Een pH-waarde van meer dan 7.8 bij azoöspermie kan wijzen op een ontsteking.

De post-coïtumtest (PCT)

Deze test vindt plaats bij de vrouw en wordt gebruikt om te bepalen of en hoe lang het sperma levend aanwezig is in het baarmoederhalsslijm. Het paar moet de avond voor het onderzoek gemeenschap hebben. ’s Ochtends wordt slijm van de baarmoederhals bij de vrouw afgenomen en beoordeeld. Er wordt gekeken naar de beweeglijkheid van het nog levende sperma in het baarmoederhalsslijm. De post-coïtumtest wordt in de meest vruchtbare periode van de cyclus gedaan. Andere benamingen voor de test zijn Simms-Hühner- of samenlevingstest.
Als de uitslag van het zaadonderzoek goed is, maar de uitslag van de post-coïtumtest is negatief, kan dit duiden op anti-stoffen op de zaadcellen. Doet deze situatie zich voor, dan is speciaal onderzoek naar de aanwezigheid van deze anti-stoffen nodig.

Een test die op het verkeerde tijdstip wordt uitgevoerd – dat wil zeggen te ver voor of na de eisprong – kan ten onrechte geen goed beweeglijke
zaadcellen laten zien. Maar ook is het mogelijk dat er helemaal niets mis is terwijl uit de test ‘blijkt’ dat er geen goed beweeglijke zaadcellen zijn. Dit is de reden dat sommige gynaecologen deze test niet meer uitvoeren of er niet zoveel waarde aan hechten.

Sperma-mucus-test

Dit is een variatie op de post-coïtum-test en wordt in het laboratorium uitgevoerd. De arts neemt van de vrouw een beetje slijm weg bij de baarmoedermond en brengt dit op een glaasje aan, het door masturbatie verkregen sperma wordt er bij gevoegd en na een paar uur wordt bekeken of de zaadcellen goed zijn doorgedrongen in het slijm.

Het is ook mogelijk om te kijken hoe het zaad beweegt in slijm van iemand anders, en te kijken hoe het zaad van iemand anders beweegt in het slijm van je partner (de zogenaamde gekruiste sperma-mucus-test).

Bloedonderzoek

Na bloedafname bepaalt men in het laboratorium de hoeveelheid van het follikelstimulerend hormoon (FSH) in het bloed. Dit hormoon is van belang bij de sperma-aanmaak. Bij te weinig FSH valt soms een hormoonkuur te overwegen. Te weinig FSH is een zeer zeldzame oorzaak voor een tekort aan zaadcellen.
Ook de testosteronspiegel in het bloed kan men bepalen. Het testosterongehalte is een maat voor het functioneren van de testikels.

Ook in geval er verdenking is op erfelijke factoren kan bloedonderzoek duidelijkheid geven. Daarbij wordt gelet op de vorm en het aantal chromosomen. Daarnaast kan ook DNA-onderzoek worden verricht waarbij wordt gekeken naar afwijkingen op de genen. Een voorbeeld van een gen-afwijking is het ontbreken van erfelijk materiaal (DNA) op het Y-chromosoom.
Het afwezig zijn van de zaadleiders is een reden om DNA-onderzoek te verrichten.

Echografisch onderzoek

Als er bij lichamelijk onderzoek afwijkingen worden gevonden of als er sprake is van een afwijkende hoeveelheid of kwaliteit van de zaadvloeistof wordt soms en echo gemaakt van de balzak, de prostaat en de zaadblaasjes.

Behandelingsmogelijkheden

Bij verminderde mannelijke vruchtbaarheid staan verschillende behandelingsmogelijkheden open. In deze brochure worden ze kort genoemd.

IUI

Als er meer dan 1 miljoen spermacellen per ml. in het zaad aanwezig zijn, kan in de eerste instantie een IUI-behandeling (Intra Uteriene Inseminatie) worden gedaan. Bij IUI wordt het zaad direct in de baarmoeder gespoten. Voor de IUI moet het zaad eerst een bewerking ondergaan, het zogenaamde ‘opwerken’. Dit is een methode om de meest beweeglijke zaadcellen te scheiden van de rest het sperma. Na het ‘opwerken’ moet het aantal zaadcellen wel boven de 500.000 liggen.

IVF

Zijn er bij de vrouw ook problemen die het ontstaan van een zwangerschap belemmeren of leveren inseminaties (IUI) geen resultaat op, dan kan IVF (In Vitro Fertilisatie) een behandelmethode zijn. Ook voor IVF moet er minstens 1 miljoen zaadcellen per ml. gevonden worden, waarvan er minimaal 500.000 overblijven na het opwerken van het zaad. In het laboratorium worden eicel(len) en zaadcellen in een kweekschaaltje bij elkaar gedaan, waarna bevruchting kan optreden.

ICSI

Als er minder dan 1 miljoen spermacellen per ml. in het zaad aanwezig zijn of er zijn anti-stoffen aanwezig of de acrosoomreactie en/of capacitatie treedt niet op, en bij een combinatie van bovengenoemde factoren, behoort ICSI (Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie) tot de behandelingsmogelijkheden. Een ICSI behandeling is gelijk aan een IVF behandeling, echter in het laboratorium wordt een geselecteerde zaadcel direct in een eicel gebracht. ICSI wordt ook toegepast als bij IVF blijkt dat er geen bevruchting optreedt.

AOA

Indien bij ICSI geen bevruchting blijkt op te treden, is er mogelijk sprake van globozoöspermie. Dit is een zeldzame genetische afwijking en het wil zeggen dat de zaadcellen geen acrosoom (=enzym in de kop) hebben, waardoor bevruchting niet mogelijk is. Met geassisteerde eicelactivatie (AOA; assisted oöcyte activation), waarbij tijdens de ICSI behandeling een stofje tegelijk met de zaadcel in de eicel wordt gebracht, is het wel mogelijk een bevruchting tot stand te brengen. Deze behandeling is mogelijk bij RadboudUMC Nijmegen.

MESA en PESA

Bij ejaculatiestoornissen of bij geblokkeerde of afwezige zaadleiders kan soms toch zaad worden verkregen door middel van de MESA- of PESA-behandeling. Bij deze behandeling wordt het sperma uit de bijbal gehaald door middel van een microchirurgische operatie of een punctie. Deze behandeling wordt altijd in combinatie met ICSI uitgevoerd. MESA en PESA wordt in enkele klinieken in Nederland toegepast, onder voorwaarde dat je instemt met vervolgonderzoek bij het kind om de veiligheid van deze methode te onderzoeken. Dit betreft de volgende klinieken: RadboudUMC  Nijmegen, UMC Utrecht, AZ Maastricht, ETZ Elisabeth Tilburg, Erasmus MC Rotterdam en Medisch Centrum Kinderwens Leiderdorp.

TESE en micro-TESE

TESE kan worden gedaan al er geen zaadcellen in de zaadleiders gevonden zijn of de zaadleiders ontbreken.

Bij TESE wordt middels een operatie zaadcellen uit de testikel gehaald. Na het openen van het scrotum worden in elke zaadbal 3 kleine sneetjes gemaakt en weefsel verwijderd. TESE wordt onder algemene verdoving uitgevoerd.
MICRO-TESE is een microchirurgische procedure onder een operationele microscoop waarbij gezocht wordt naar bewegende zaadcellen in de zaadballen. Ook deze operatie wordt onder algemene verdoving uitgevoerd.

Je kunt hiervoor in dezelfde ziekenhuizen terecht als genoemd bij MESA en PESA.

Hormoontherapie

Als er sprake is van een tekort aan de hormonen LH en FSH wordt soms hormoontherapie aan de man voorgeschreven.
In het verleden kregen mannen waarbij geen hormoonafwijking werd gevonden, soms ook hormonen (bijv. clomifeen) voorgeschreven. Het effect hiervan is echter nooit bewezen en dit wordt nu dan ook zo goed als niet meer toegepast.

KID

Als er helemaal geen goede zaadcellen worden aangetroffen of het paar kiest niet voor de andere behandelmogelijkheden, kan KID (Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad) wellicht een optie zijn. Voor deze mogelijkheid kan ook gekozen worden wanneer sprake is van (dragerschap van) een erfelijke ziekte bij de man.

Operatieve ingreep

Een spataderkluwen in de balzak (varicocèle) zou mogelijk verminderde vruchtbaarheid veroorzaken doordat de temperatuur in de balzak hoger wordt. Soms wordt dan voorgesteld operatief in te grijpen. Een spataderkluwen ontstaat doordat een ader het bloed vanuit de balzak niet goed afvoert. Spataderen zijn het gevolg.
Bij een operatie wordt deze afvoerende ader afgesloten. Daardoor verdwijnen ook de spataderen. Er blijven voldoende aderen over die het bloed wel kunnen afvoeren. De behandeling kan op twee verschillende manieren gebeuren. De eerste manier is dat de ader wordt afgebonden, zodat het bloed er niet meer doorheen stroomt. Hiervoor maakt de uroloog onderin de buik een sneetje. Ook kan de operatie via een kijkbuisje plaatsvinden. Het is een kleine ingreep.
Bij de tweede manier wordt een spiraaltje in de ader gebracht zodat er geen bloed meer doorheen kan stromen. De ingreep gebeurt onder plaatselijke verdoving door de radioloog en is weinig belastend. Je kunt direct na afloop weer naar huis.
Medici verschillen echter van mening over het nut van deze ingreep. Soms wordt een verbetering van de spermakwaliteit gezien, maar dat is niet altijd het geval. Een grotere kans op zwangerschap kan niet bewezen noch uitgesloten worden. Bij de beslissing om deze ingreep te ondergaan spelen verschillende zaken een rol: onder andere of er nog andere factoren gevonden zijn waardoor er geen zwangerschap ontstaat en hoever jij en je partner willen gaan met andere behandelingsmethoden.

Aanvullende geneeswijzen

In sommige gevallen lijkt de kwaliteit van het sperma te verbeteren na aanvullende geneeswijzen, zoals een acupunctuurbehandeling of een behandeling met homeopathische medicijnen. De werkzaamheid van deze middelen zijn echter tot nu toe niet bewezen. De kwaliteit van het zaad kan namelijk sterk wisselen, dus valt verbetering niet zonder meer aan een behandeling toe te schrijven.

Leefstijl

Wat kun je zelf doen als blijkt dat je een verminderde zaadkwaliteit hebt? Voor onderstaande tips geldt dat nooit echt goed onderzocht is of ze de kwaliteit van het sperma of de kans op zwangerschap echt verbeteren.  Toch is het niet onmogelijk dat van invloed is op het sperma. Omdat de vorming van een zaadcel ongeveer drie maanden duurt, kun je pas na die periode een eventuele verbetering van de spermakwaliteit merken.

  • Ondergoed en kleding
    Vermijd strakke en zeer warme kleding zoveel mogelijk. Dat wil zeggen: draag ruim zittend luchtig ondergoed (katoenen boxershort) in combinatie met een ruime broek. Slaap liefst zonder onderbroek of eventueel met een ruim zittend exemplaar.
  • Bad of sauna
    Vermijd vele en langdurige hete baden of saunabezoek zo veel mogelijk.
  • Elektrische dekens
    Gebruik liever geen elektrische deken.
  • Sparen
    Het ‘sparen’ van sperma lijkt niet goed te zijn voor de kwaliteit. Ongeveer twee à drie zaadlozingen per week is mogelijk het beste.
  • Gezond leven
    Eet gezonde voeding met voldoende vitaminen. Probeer te stoppen met roken en overmatig alcoholgebruik. Vermijd drugs en anabole steroïden.

Verminderd vruchtbaar en man

Vrouwen zoeken in het algemeen eerder naar iemand om te praten over persoonlijke problemen waarmee ze te maken krijgen. In de afgelopen jaren is bij Freya gebleken dat die behoefte er bij veel mannen ook wel is, maar dat zij het lastiger vinden om een dergelijk gesprek te beginnen. Soms kunnen reacties uit de omgeving het ook moeilijk maken. Er zijn helaas nog steeds mensen die vruchtbaarheidsproblemen verwarren met potentieproblemen. Maar als blijkt dat een man verminderd vruchtbaar of onvruchtbaar is, is hij daardoor natuurlijk nog niet minder mannelijk!
Een ander punt is dat veel mannen hun vrouw – die immers vaak de vruchtbaarheidsbehandeling moet ondergaan – willen steunen. Daarvoor onderdrukken zij niet zelden hun eigen gevoelens. Bedenk dat het juist  belangrijk is om elkaar te begrijpen om elkaar te steunen. Door het bespreken van gevoelens kunnen partners dichter bij elkaar komen.
Ook contact met een (mannelijke) lotgenoten kan opluchten. Freya biedt diverse mogelijkheden om met anderen in contact te komen, zo is er ook een speciale besloten mannengroep op Facebook. Uiteraard zijn mannen van harte welkom op alle bijeenkomsten die Freya organiseert. De meeste paren komen samen. Aankondigingen van bijeenkomsten zijn te vinden in de agenda van Freya en in het Freya Magazine.

Wil je meer lezen?

Boeken

  • Izar. Auteur Carlo Groot, 2017, ISBN 9789057598456
  • Geheime delen. Alles wat je er altijd al over wilde weten. Auteur Mels van Driel, 2008 ISBN 9789029565837
  • Open zenuw – vruchtbaarheidsproblemen en je omgeving. Auteur Denise Hilhorst, 2007, ISBN 9789079116010
  • Meer boekentips

Deze brochure is tot stand gekomen met medewerking van:

  • (tekst wordt momenteel gecheckt)

Dit is een uitgave van:
Freya, vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen ©
José Knijnenburg, september 2019

Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend, tevens aanvaardt Freya geen aansprakelijkheid indien regels door instanties anders worden gehanteerd.