Vruchtbaarheidsonderzoeken

De informatie in deze brochure wordt momenteel geactualiseerd.

Vruchtbaarheidsonderzoeken

brochure nr. 2

Inleiding

Na één jaar regelmatig onbeschermd seksueel contact is ongeveer 80% van de paren zwanger. Eén op de zes paren krijgt te maken met problemen rondom kinderwens en vruchtbaarheid. Globaal ligt bij 30% van de doorverwezen paren de oorzaak bij de vrouw, bij 30% bij de man, bij 30% bij beiden en bij 10% wordt uiteindelijk geen oorzaak gevonden.

Ongeveer 5% van alle paren blijft ongewild kinderloos.

De oorzaak van een vruchtbaarheidprobleem kan zowel bij de vrouw als bij de man liggen. Mogelijke oorzaken bij de vrouw zijn ovulatiestoornissen, de gevolgen van doorgemaakte ontstekingen aan of afwijkingen van baarmoeder, eileiders of eierstokken of het produceren van anti-stoffen tegen sperma of de eigen eicellen.

Oorzaken die bij de man tot verminderde vruchtbaarheid kunnen leiden zijn: een slechte zaadkwaliteit, te weinig zaadcellen of aanwezigheid van anti-stoffen tegen of in het sperma. In deze brochure noemen we de fertiliteitonderzoeken waarmee je te maken kunt krijgen. Niet alle genoemde onderzoeken zullen voor elk paar nodig zijn. Dit hangt af van je persoonlijke voorgeschiedenis en omstandigheden.

Wanneer wordt er onderzoek naar de reden van het vruchtbaarheidsprobleem gedaan?

Als je na ongeveer een jaar onbeschermd vrijen nog niet zwanger bent, kun je de huisarts raadplegen. De huisarts zal een aantal vragen met je doornemen over het verloop van de cyclus, het seksuele verkeer en je medische voorgeschiedenis. Tevens kan er een lichamelijk onderzoek gedaan worden.

Ook wordt er laboratorium onderzoek gedaan: de kwaliteit van het sperma wordt bekeken en bij de vrouw wordt een chlamydia-antistoftest gedaan.

Als er geen afwijkingen worden gevonden, zal de huisarts op basis van de beschikbare gegevens je persoonlijke kans op een zwangerschap in het komende jaar berekenen. Hiervoor wordt een ‘prognostisch model’ gebruikt.
Het hangt er vanaf hoe groot de kans in jouw geval is, of je direct doorgestuurd wordt naar de gynaecoloog voor verder onderzoek of dat je het advies krijgt om af te wachten of je spontaan zwanger wordt in het komende jaar.
Als er wel afwijkingen gevonden worden, zal er een verwijzing naar de gynaecoloog volgen. Ook indien je 38 jaar of ouder bent, zul je doorverwezen worden.

Onder regie van de gynaecoloog zal het verdere Oriënterend Fertiliteit Onderzoek (OFO) worden uitgevoerd. Bij een OFO wordt stapsgewijs een aantal mogelijke oorzaken van het uitblijven van een zwangerschap onderzocht.

Veel ziekenhuizen hebben een polikliniek fertiliteit waar o.a. gespecialiseerde verpleegkundigen een groot deel van de informatie geven en het eerste deel van het OFO opstarten en coördineren.

Welke vruchtbaarheidsonderzoeken kan de gynaecoloog doen bij de vrouw?

Allereerst zal de arts je anamnese, dat wil zeggen je medische voorgeschiedenis, met je doornemen. Daarbij stelt de arts een aantal vragen, zoals bijvoorbeeld: hoe lang bestaat de (ongewenste) kinderloosheid, hoe verloopt je menstruele cyclus, vroegere ziektes en seksueel verkeer. De arts zal je BMI bepalen (BMI is Body Mass Index, de verhouding tussen je lengte en gewicht) en beharingspatroon beoordelen (dit kan iets zeggen over hormonale afwijkingen).

Verder zal de arts een inwendig onderzoek doen om de baarmoeder en eierstokken te beoordelen en een uitstrijkje te maken.

Laboratoriumonderzoek van urine en bloed

Het laboratorium doet onder andere hormoonbepalingen om te bekijken of je cyclus in orde is. Ook wordt het uitstrijkje beoordeeld en een chlamydia kweek (CAT) gedaan. Chlamydia is een veel voorkomende seksueel overdraagbare aandoening die een (chronische) ontsteking kan veroorzaken, waardoor de eileiders beschadigd kunnen raken. Indien blijkt dat je Chlamydia antistoffen hebt, is een baarmoederröntgenfoto (HSG, zie verderop in deze brochure) nodig om de eileiders te beoordelen.

Menstruatiekalender en ochtendtemperatuur

De cyclus zal gedurende enige tijd goed gevolgd worden, door middel van het bijhouden van een menstruatiekalender. Daarnaast zal je je ochtendtemperatuur (BTC ofwel basale temperatuur curve) moeten bijhouden. Hiertoe moet je elke ochtend op hetzelfde tijdstip en vóórdat je uit bed komt, je temperatuur rectaal opnemen en noteren. Hiermee kan bekeken worden of er een eisprong optreedt. Is dit het geval, dan stijgt je lichaamstemperatuur in het midden van de cyclus met ongeveer 0,5C. Heb je dit op verzoek van de huisarts al enige maanden bijgehouden, neem die gegevens dan mee naar de gynaecoloog. Op de website van Freya kun je een staatje vinden om de BTC bij te houden (zoek op BTC in het Google veld op onze site).

Het beoordelen van de kwaliteit en zuurgraad van het cervixslijm (dit is het slijm dat in de baarmoederhals aanwezig is) is de volgende stap die je arts kan nemen. Dit wordt gedaan op de dag voor of van de eisprong.

Echoscopie

Een standaard onderdeel van het OFO is een inwendige echoscopie om te kijken of er eirijping plaatsvindt in de eierstok en om de grootte en afwijkingen aan baarmoeder en eierstokken te beoordelen. Voor dit onderzoek brengt de arts een echo-staaf in de vagina, waardoor de eierstokken en eileiders goed in beeld gebracht kunnen worden. Het onderzoek verloopt prettiger als de blaas leeg is.

Post-coïtumtest (PCT)

Andere namen voor deze test zijn de samenlevingstest, ofwel Simms-Hühnertest (SH-test). Met deze test wordt nagegaan of er voldoende bewegende zaadcellen aanwezig zijn in het baarmoederhalsslijm, enige uren na de geslachtsgemeenschap. Deze test wordt vlak voor de eisprong uitgevoerd. De avond vóór of de ochtend van de test moet er seksueel contact (samenleving) zijn geweest.

Wanneer de post-coïtumtest negatief is, terwijl de uitslag van het zaadonderzoek en van het baarmoederhalsslijm positief zijn, kan het zijn dat er anti-lichamen aanwezig zijn in het baarmoederhalsslijm. Dan moet er een immunologisch onderzoek naar het baarmoederhalsslijm gedaan worden.

Baarmoederröntgenfoto (HSG ofwel hystero-salpingogram)

Onvruchtbaarheid kan worden veroorzaakt door afwijkingen aan de eileiders en de omgeving daarvan, als gevolg van eileiderontstekingen of andere ontstekingen in het kleine bekken; bijvoorbeeld als gevolg van een SOA (seksueel overdraagbare aandoening) en blindedarmontsteking of door endometriose (groei van baarmoederslijmvlies buiten de baarmoeder).

Het HSG is een middel om die afwijkingen op te sporen. Dit wordt gedaan door een contrastvloeistof via de baarmoedermond (portio) in de baarmoeder (uterus) en eileiders (tubae) te spuiten. Via röntgendoorlichting kan worden nagegaan of de eileiders doorgankelijk zijn en de grootte en vorm van de baarmoeder kan vastgesteld worden. Het is een poliklinisch onderzoek en wordt uitgevoerd in de eerste helft van de cyclus (na de menstruatie en voor de eisprong). Het HSG is meestal niet pijnloos. De pijn kan worden verlicht door vooraf een pijnstiller te gebruiken (overleg dit met je arts) en de arts zal de contrastvloeistof op lichaamstemperatuur brengen en deze langzaam in de baarmoeder spuiten, om onnodig ongemak te voorkomen.

Als er afwijkingen te zien zijn, zal de arts doorgaans voorstellen om op korte termijn een kijkoperatie te laten doen om de juiste diagnose vast te stellen. Een HSG wordt in het eerste deel van de cyclus toegepast, omdat zeker moet zijn dat de vrouw op het moment van de ingreep niet zwanger is.

Omdat in veel gevallen toch ook een laparoscopie wordt gedaan, gaan gynaecologen er steeds vaker toe over het HSG te laten vervallen en de doorgankelijkheid van de eileiders te controleren tijdens de laparoscopie. Dit is minder belastend voor de patiënt en de uitslag is betrouwbaarder.

Laparoscopie (kijkoperatie)

Deze ingreep wordt onder volledige narcose en in dagbehandeling (’s morgens nuchter komen en ’s middags weer naar huis) uitgevoerd. Er worden twee sneetjes gemaakt in de buik, één bij de navel en één boven het schaambeen. Door deze sneetjes kan de laparoscoop (kijkbuis) naar binnen worden gebracht, waarmee de arts in de buik kan kijken. Om het zicht te verbeteren wordt tijdens de behandeling koolzuurgas via een naald in de buik geblazen, waardoor er ruimte ontstaat tussen buikwand en darmen. Dit gas kan later pijn in de linkerschouder veroorzaken. Verder heeft men over het algemeen weinig last van dit onderzoek.

Het doel van de laparoscopie is informatie te krijgen over de grootte en vorm van de baarmoeder; vorm, kaliber, beweeglijkheid en lengte van de eileiders; kwaliteit van de fimbriae (vangarmpjes van de eileider); grootte, vorm en beweeglijkheid van de eierstok; aan- of afwezigheid van verklevingen; aan- of afwezigheid van endometriose; toestand van de blinde darm; aan- of afwezigheid van verklevingen bij de lever. Tevens wordt een gekleurde vloeistof via de baarmoedermond ingespoten om (opnieuw) de doorgankelijkheid van de eileiders te controleren.

Welke vruchtbaarheidsonderzoeken kan de gynaecoloog of de uroloog doen bij de
man?

Allereerst zal ook met de man de anamnese worden doorgenomen. De arts stelt daarbij een aantal vragen, bijvoorbeeld over vroegere ziektes (de bof, liesbreukoperatie), eventuele ongevallen waarbij de geslachtsorganen beschadigd kunnen zijn en over seksueel verkeer.

Zaadonderzoek

Een zaadmonster, verkregen door masturbatie, gaat naar het laboratorium voor onderzoek. Bij semenonderzoek wordt aangeraden, enkele dagen voor het inleveren geen zaadlozing te hebben. Het aantal dagen verschilt per ziekenhuis, de arts zal je hierover informeren. De tijdsduur tussen productie en onderzoek mag niet te lang zijn (ongeveer 2 uur) en gedurende die tijd kan het monster het beste op het lichaam vervoerd worden om afkoeling te voorkomen. Of het zaad thuis mag of in het ziekenhuis moet geproduceerd worden, is afhankelijk van de situatie. Het zaad wordt op een aantal punten getest, bijvoorbeeld het volume en de zuurgraad. Een volume van 2ml of meer en een pH-waarde van 7,2 of meer is normaal. Ook het aantal zaadcellen wordt geteld: bij een laag aantal spreekt men van oligozoöspermie en wanneer herhaaldelijk geen enkele zaadcel gevonden wordt spreekt men van azoöspermie. De beweeglijkheid ofwel motiliteit (bij een afwijkende uitslag spreekt men van asthenozoöspermie) blijkt het belangrijkste gegeven voor het bepalen van de kwaliteit van het sperma. Ten slotte wordt er gekeken naar de vorm van het zaad, de morfologie. (bij een afwijkende uitslag spreekt men van teratozoöspermie).

Bij verminderde vruchtbaarheid van de man wordt vaak een combinatie van laag aantal zaadcellen, verminderde beweeglijkheid en afwijkende vorm gevonden (men spreekt dan van oligo-astheno-teratozoöspermie, veelal afgekort tot OAT). Bij een afwijkende uitslag zal het zaadonderzoek altijd herhaald worden.

In Nederland kunnen de waarden die men voor de kwaliteit van zaad gebruikt per ziekenhuis verschillen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert een veelgebruikte maat voor voldoende kwaliteit:
aantal meer dan 20 miljoen per milliliter , goede beweeglijkheid meer dan 25%, beweeglijkheid in het algemeen meer dan 50%, en meer dan 30% normale vorm. Een andere maat is meer dan 7 miljoen zaadcellen per milliliter , 18% beweeglijkheid en 4% normale vorm. Overleg met je arts welke waarden hij of zij gebruikt.

Lichamelijk onderzoek bij de man

Lichamelijk onderzoek bij de man vindt alleen plaats indien bij het zaadonderzoek afwijkingen zijn gevonden. Indien bij het lichamelijk onderzoek van de uitwendige geslachtsorganen een spatader in de balzak (varicocèle) wordt geconstateerd, zal de arts misschien een operatie voorstellen. Door aanwezigheid van zo’n spatader veronderstelt men dat de temperatuur in de balzak namelijk te hoog kan worden, waardoor de kwaliteit van het zaad negatief beïnvloed kan worden. Er bestaat in de medische wereld echter geen overeenstemming voor wat betreft het nut van deze operatie.

Laboratoriumonderzoek van urine en bloed

Dit onderzoek vindt uitsluitend plaats indien hiervoor een aanleiding bestaat en omvat onder andere hormoonbepalingen.

Onverklaarbare onvruchtbaarheid

Soms levert het onderzoek geen verklaring voor de onvruchtbaarheid op. Dit betekent nog niet dat er ook niets aan de hand is, maar de artsen weten het simpelweg niet. De wetenschap gaat verder en mogelijk ontwikkelen ze een nieuwe test waaruit de oorzaak van jouw onvruchtbaarheid zal blijken. Het blijft nu elke maand afwachten en hopen! De onzekerheid kan heel veel spanningen geven. Pas als je ongeveer 3 á 4 jaar (mede afhankelijk van je leeftijd) onverklaarbaar onvruchtbaar bent, kom je in aanmerking voor een IVF-behandeling. Deze wachttijd wordt gesteld omdat gebleken is dat een deel van de onverklaarbaar onvruchtbare paren toch nog spontaan zwanger raakt.

Psycho-sociale aspecten

De stap die je moet nemen om naar de huisarts te gaan is vaak al een grote. Tenslotte lijkt het zo vanzelfsprekend om zwanger te raken in deze tijd van voorbehoedsmiddelen. Als dat niet blijkt te lukken, valt het niet mee om daarover te gaan praten met een arts. Als je dan doorgestuurd wordt naar een gynaecoloog moet er weer een barrière overwonnen worden. Belangrijk is dat je een gesprekspartner kunt zijn voor de arts. Het is daarom handig om goed geïnformeerd te zijn over zaken die aan de orde kunnen komen; alleen dan kun je erover meepraten en in overleg met de arts zelf beslissingen nemen. Per slot ben je zelf degene die bepaalt wat er met jouw lichaam wel of niet moet gebeuren. De arts zal uiteraard uitleggen wat hij/zij wil weten, wat hij/zij wil doen en waarom. De ervaring leert echter dat mensen vaak zoveel informatie krijgen in de korte tijd in de spreekkamer, dat ze een deel ervan niet kunnen vasthouden. Op de Freya website is veel informatie terug te vinden en Freya biedt ook de mogelijkheid om per e-mail vragen te stellen. Hoewel we ons antwoord zoveel mogelijk proberen toe te spitsen op jouw situatie, hebben wij slechts de mogelijkheid algemene informatie te geven; wij zijn ervaringsdeskundigen, geen artsen! Voor specifieke medische vragen in jouw persoonlijke geval en ook als dingen niet helemaal duidelijk zijn: vraag je arts of de fertiliteitverpleegkundige die veel klinieken hebben, het (nog eens) uit te leggen! Het is handig je vragen thuis op papier te zetten, zodat je niets vergeet te vragen tijdens je bezoek aan de arts.

Een andere kwestie is: Hoe ga je emotioneel met deze zaken om? Kun je er met je partner goed over praten, zitten jullie op één lijn? Heb je (daarnaast) nog iemand anders met wie je erover kunt praten? De periode dat je bezig bent met allerlei onderzoeken is een zware tijd waarin onzekerheid een grote rol speelt. De psychische belasting kan soms zo groot zijn, dat je relatie eronder lijdt. Ook je seksleven kan er onder te lijden hebben. Het is vaak moeilijk om dit allemaal alleen te dragen, dus het kan prettig zijn om iemand te hebben om dit in vertrouwen mee te bespreken.

Veel paren krijgen te maken met onbegrip in hun omgeving. Daarom heeft Freya een speciale folder geschreven die mensen in je omgeving duidelijk kan maken hoe groot de impact is van vruchtbaarheidsproblemen. Deze folder heet ‘Waarom hebben jullie geen kinderen’ en is te vinden op de website, maar ook te bestellen via de infolijn (024 – 3010 350) of per mail (secretariaat@freya.nl). De folder kan een goede opening bieden voor een gesprek.

En dan, wat verwacht je van de onderzoeken? Houd je werkelijk rekening met de mogelijkheid dat er iets mis kan zijn? Het kan meevallen maar het kan ook tegenvallen; het is goed om je dit van tevoren te realiseren. Er zijn natuurlijk veel mogelijkheden om toch een kind te krijgen, maar het kan een moeilijke weg zijn.

Praten met lotgenoten kan daarom prettig zijn. Lotgenoten weten hoe het voelt en hebben aan een half woord genoeg. Freya biedt die mogelijkheid via een telefonische hulpdienst die op elke werkdag te bereiken is. De contactpersonen die je dan aan de lijn krijgt hebben zelf ook vruchtbaarheidsproblemen (gehad), zij kunnen hierover dus uit eigen ervaring praten. Daarnaast biedt Freya verschillende mogelijkheden om via de website met anderen in contact te komen en ervaringen uit te wisselen. Ook organiseert Freya geregeld bijeenkomsten, waar informatieve lezingen worden gehouden en de mogelijkheid wordt geboden om met lotgenoten te praten die hetzelfde meemaken en ervaringen met elkaar uit te wisselen.

Verder lezen:

 

Boeken:

  • Mariël Croon, Zwanger worden, Handboek voor kinderwensers en twijfelaars.(2004)
    ISBN 90-808113-1-9 thoeris.nl
  • Prof. Paul Devroey & Marc Geenen, Buik op kinderslot; Zwanger worden als vrijen niet helpt. (2004) ISBN 90 5617 383 9
  • Stephan Gordts, Jan Norré & Rudi Campo, Zwanger worden … ook voor ons? (2003) ISBN 90 209 4462 2
  • Didi Braat en Gemma Kleijne, Zwanger via een omweg (2003), ISBN 90-6523-106-4
  • Rob Weber & Gert Dohle m.m.v. J.T.M. Vreeburg, Meer kans op vaderschap (1998)
    ISBN 90 2159 46 41
  • Judith Uyterlinde, Eisprong. (2001) ISBN 90 5330 304 9
  • Arend van Dam, Spermadilemma, over de vruchtbaarheidsbeleving van de man. (1998)
    ISBN 90 254 2500 3

 

Adressen:

Freya, patiëntenvereniging voor vruchtbaarheidsproblematiek
Postbus 620
4200 AP Gorinchem www.freya.nl
tel. 024 – 3010 350 secretariaat@freya.nl

 

Dit is een uitgave van:

Freya, patiëntenvereniging voor vruchtbaarheidsproblematiek ©

februari 2007


Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend, tevens aanvaardt patiëntenvereniging Freya geen aansprakelijkheid indien regels door officiële instanties anders worden gehanteerd.