Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Zwangerschap blijft uit
2.1 Stap 1: voorbereiding op het consult
2.2 Stap 2: naar de huisarts
2.3 Stap 3: naar de polikliniek fertiliteit (voortplantingsgeneeskunde)
3. OFO-onderzoek bij vrouwen
3.1 Standaardonderzoek bij de vrouw
3.2 Aanvullend onderzoek bij de vrouw
4. OFO-onderzoek bij mannen
4.1 Standaardonderzoek bij de man
4.2 Aanvullend onderzoek bij de man
5. De uitslag
6. Onverklaarbaar verminderd vruchtbaar
7. Wat kan Freya voor je doen?
1. INLEIDING
Na één jaar regelmatig onbeschermd seksueel contact is ongeveer 80% van de paren zwanger. De kans op zwangerschap wordt kleiner met het stijgen van de leeftijd. Eén op de zes paren krijgt te maken met problemen rondom kinderwens en vruchtbaarheid. De oorzaak van een vruchtbaarheidsprobleem kan bij de vrouw, bij de man of bij beide partners liggen. Een combinatie van meerdere factoren is mogelijk. Bij een grote groep mensen wordt de oorzaak nooit duidelijk.
Bij de vrouw kan de oorzaak onder andere liggen in een cyclus- of hormoonstoornis (zoals PCOS), beschadiging/verkleving van de eileiders, endometriose. Ook de leeftijd van de vrouw is een belangrijke factor.
Bij de man kan er onder meer sprake zijn van slechte zaadkwaliteit (te weinig of niet goed beweeglijk), afwezigheid van zaadcellen in het sperma of antistoffen in het sperma.
In deze tekst noemen we de gebruikelijke fertiliteitonderzoeken waarmee je te maken kunt krijgen. Niet alle genoemde onderzoeken zijn bij iedereen nodig. Daarnaast kun je specifiek nader onderzoek nodig hebben. Dit hangt af van je persoonlijke omstandigheden.
2. ZWANGERSCHAP BLIJFT UIT
2.1 STAP 1: VOORBEREIDING OP HET CONSULT
Als je ongeveer één tot anderhalf jaar geprobeerd hebt om zwanger te worden en het is niet gelukt, dan kun je naar de huisarts gaan. Zwanger worden lijkt zo vanzelfsprekend, je ziet het overal om je heen gebeuren. Als dat niet blijkt te lukken, moet je misschien even een drempel over om je verhaal bij de huisarts en/of gynaecoloog te doen. Bedenk dat het voor hen een normaal onderwerp is!
Een goede voorbereiding, kan helpen. Dus lees informatie en/of schrijf je vragen op. Het gaat immers over jouw lichaam en jouw leven!
De arts zal uiteraard uitleggen wat hij/zij wil weten, wat hij/zij wil doen en waarom. Maar vaak krijg je zoveel informatie in de korte tijd in de spreekkamer, dat het niet mogelijk is om het allemaal te onthouden. Het is niet raar als je notities maakt of misschien wil je zelfs het gesprek opnemen. Lees hier meer tips.
En wat verwacht je van de onderzoeken? Houd je werkelijk rekening met de mogelijkheid dat er iets mis kan zijn? Het kan meevallen maar het kan ook tegenvallen; het is goed om je dit van tevoren te realiseren. Als blijkt dat er iets niet in orde is, zijn er vaak nog diverse mogelijkheden om toch een kind te krijgen, maar soms kàn het een lange, lastige weg zijn.
2.2 STAP 2: NAAR DE HUISARTS
Als na ongeveer een jaar onbeschermde geslachtsgemeenschap zwangerschap uitblijft, kun je naar de huisarts gaan. De huisarts kan een aantal vragen met je doornemen over het verloop van je cyclus, je seksuele relatie en je medische voorgeschiedenis.
Af en toe vraagt de huisarts laboratoriumonderzoek aan: de kwaliteit van het sperma wordt bekeken en bij de vrouw wordt soms een chlamydia-antistoftest gedaan.
Als je de huisarts op basis van je antwoorden en eventuele onderzoeken inschat dat je spontane zwangerschapskans verlaagd is, krijg je een verwijzing naar de gynaecoloog (of soms uroloog, in geval er een probleem bij de man lijkt te zijn). Ook indien je 38 jaar of ouder bent, is doorverwijzing de regel.
2.2.1 Kansberekening
Als de huisarts geen afwijkende zaken vindt, kan hij/zij op basis van de beschikbare gegevens je persoonlijke kans op een zwangerschap in het komende jaar berekenen. Hiervoor wordt een ‘prognostisch model’ gebruikt. Afhankelijk van jouw berekende kans word je direct doorgestuurd naar de gynaecoloog voor verder onderzoek of krijg je het advies om nog iets langer af te wachten of je spontaan zwanger wordt.
2.2.2 Is je werkplek veilig?
Er zijn bepaalde stoffen, die zowel bij mannen als vrouwen extra risico’s met zich meebrengen voor de vruchtbaarheid of het ongeboren kind.
Enkele risicoberoepen zijn: röntgenlaboranten (röntgenstraling kan erfelijke afwijkingen veroorzaken), stewardessen en piloten (kosmische straling in de atmosfeer), personeel op operatiekamers (narcosegassen), schoonmakers (vluchtige stoffen in schoonmaakmiddelen), metaalwerkers, laboratoriumpersoneel, verpleegkundigen, apothekersassistenten en tuinbouwpersoneel (bestrijdingsmiddelen).
Wanneer je weet of vermoedt dat je in je werk in aanraking komt met gevaarlijke stoffen, is het goed om je kinderwens met de werkgever te bespreken zodat risicobeperkende maatregelen getroffen kunnen worden.
2.3 STAP 3: NAAR DE POLIKLINIEK FERTILITEIT (VOORTPLANTINGSGENEESKUNDE)
Na doorverwijzing naar de gynaecoloog/fertiliteitsarts start deze het OFO op: het Oriënterend Fertiliteit Onderzoek. Bij een OFO wordt stapsgewijs een aantal mogelijke oorzaken van het uitblijven van een zwangerschap onderzocht. Veel ziekenhuizen hebben een polikliniek fertiliteit/voortplantingsgeneeskunde waar o.a. gespecialiseerde verpleegkundigen een groot deel van de informatie geven en het eerste deel van het OFO opstarten en coördineren. De kliniek zal vragen om samen met je partner te komen bij dit eerste bezoek.
3. OFO-ONDERZOEK BIJ VROUWEN
3.1 STANDAARDONDERZOEK BIJ DE VROUW
3.1.1 Anamnese
Eerst neemt de arts in een gesprek je anamnese – dat is je medische voorgeschiedenis – met je door. Soms krijg je vooraf al een vragenlijst, met vragen als: hoe lang bestaat de zwangerschapswens, hoe verloopt je menstruele cyclus, met welke ziektes en operaties heb je te maken gehad, hoe verloopt de seksuele relatie.
3.1.2 Leefstijl bij de vrouw
Doorgaans bespreekt de arts ook een aantal zaken rondom je leefstijl.
Als je zwanger wilt worden, wordt het gebruik van foliumzuur aangeraden. Je hebt dan minder kans op een baby met een open ruggetje. Slik je extra vitamine B12 op recept? In dat geval moet je met je arts overleggen over het slikken van foliumzuur.
Rook je? Dan raadt de arts je aan om serieuze stoppogingen te doen. Ook het gebruik van drugs en alcohol wordt afgeraden. Niet alleen voor je eigen gezondheid maar ook voor die van de baby.
Heb je overgewicht? Dan wordt geadviseerd om op een gezonde manier af te vallen. Tijdens het OFO wordt ook je BMI berekend (BMI is Body Mass Index, de verhouding tussen je lengte en gewicht).
Als je je leefstijl verbetert, heb je niet alleen meer kans op een zwangerschap, maar als je zwanger raakt is dit ook beter voor jou en je baby.
3.1.3 Medicijngebruik
Bij voorkeur gebruik je geen medicijnen als je zwanger wil worden. Maar mogelijk heb je medicijnen nodig voor bijvoorbeeld een hoge bloeddruk, astma, depressie, epilepsie of iets anders. Dan is het niet verstandig zomaar te stoppen. Overleg met je huisarts of specialist welke medicijnen in de zwangerschap de minste risico’s hebben. Mogelijk is een alternatief geschikter. Als je diabetes of een schildklierziekte hebt, dan is het belangrijk dat je goed bent ingesteld.
Vrij verkrijgbare medicatie
Ook medicijnen die vrij verkrijgbaar zijn bij de drogist, zijn niet altijd veilig voor gebruik tijdens vruchtbaarheidsbehandelingen en (prille) zwangerschap. Lees daarom altijd de bijsluiter en overleg eventueel met je arts of apotheker of je dit geneesmiddel kunt blijven gebruiken. Ditzelfde geldt voor vitamines en supplementen.
3.1.4 Inwendig onderzoek
Na het gesprek krijg je ook een inwendig onderzoek. Met een spreider (speculum) kijkt de arts naar je baarmoedermond. Via de vagina en de buik voelt de arts naar je baarmoeder en eierstokken (vaginaal toucher). Soms zien vrouwen erg op tegen dit inwendig onderzoek. Dit onderzoek duurt maar kort en doet in de regel geen pijn, wel kun je het als ongemakkelijk ervaren. Het is prettig als je een lege blaas hebt bij dit onderzoek. Ga daarom kort voor het onderzoek naar het toilet om goed uit te plassen. Ben je erg nerveus? Vertel dit dan gerust aan de gynaecoloog.
3.1.5 Vaginale echoscopie
Echoscopie is een techniek waarmee organen in het lichaam zichtbaar worden gemaakt. Bij een echoscopie wordt gebruikgemaakt van geluidsgolven. Een transducer zendt deze geluidsgolven uit. Het weefsel in je lichaam kaatst een deel van deze geluidsgolven terug. Je kunt de geluidsgolven niet voelen, ze vormen een beeld op de monitor.
Een standaard onderdeel van het OFO is een inwendige echo.
Voor dit onderzoek lig je in een gynaecologische stoel en brengt de arts een probe (ook echo-staaf of transducer genoemd) in de vagina. Hiermee worden de baarmoeder en eierstokken goed in beeld gebracht. De arts kan bijvoorbeeld zien of er cystes in de eierstokken zitten. Als je geen menstruaties hebt, kijkt de arts of de eierstokken actief zijn en of er eiblaasjes zijn. Heb je myomen (vleesbomen) of poliepen in de baarmoeder, dan kan de arts deze meestal ook op de echo zien. De eileiders zijn op de echo niet zichtbaar, behalve als er vocht in een eileider zit na een ontsteking; dat is wel op de echo te zien. Het onderzoek verloopt prettiger als je blaas leeg is.
3.1.6 Chlamydia-antistoffen
In het laboratorium wordt je bloed onderzocht op chlamydia-antistoffen (CAT). Chlamydia is een veel voorkomende (seksueel overdraagbare) aandoening. Zonder dat je het merkt, kan chlamydia een (chronische) ontsteking veroorzaken. Hierdoor kunnen de eileiders beschadigd raken. Als blijkt dat je chlamydia antistoffen hebt, is een baarmoederröntgenfoto (HSG) nodig om de eileiders te beoordelen. Voor het HSG is het nodig om uit te sluiten of er nu nog een infectie actief is. Dat gebeurt met een uitstrijkje van de baarmoedermond. Zo nodig krijg je een behandeling om de infectie te bestrijden.
3.2 AANVULLEND ONDERZOEK BIJ DE VROUW
De hieronder beschreven aanvullende onderzoeken worden alleen uitgevoerd als hiervoor een aanleiding is gevonden bij de standaardonderzoeken.
3.2.1 Laboratoriumonderzoek
Is je cyclus korter dan 21 dagen of langer dan 35 dagen, dan is er mogelijk een hormonale oorzaak voor het uitblijven van een zwangerschap. In dit geval kan bloedonderzoek worden gedaan.
3.2.2 Baarmoederröntgenfoto (HSG)
Bij het maken van een HSG (afkorting voor hysterosalpingogram) wordt een contrastvloeistof via de baarmoedermond in de baarmoeder en eileiders gespoten. Met röntgenstraling kun je zien of de vloeistof via de baarmoeder en door de eileiders naar de buikholte komt. Als dat zo is, zijn de eileiders doorgankelijk. Als deze niet doorgankelijk zijn dan kunnen de zaadcellen immers niet bij de eicel komen en is bevruchting onmogelijk.
Wanneer een HSG?
Als je een verhoogde kans hebt op afwijkingen aan de eileiders.
Deze afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van eileider- of andere ontstekingen in het kleine bekken (zoals een blindedarmontsteking) of door endometriose (groei van op baarmoederslijmvlies lijkend weefsel buiten de baarmoeder).
Als je geen antistoffen tegen Chlamydia hebt, is de kans op afwijkingen aan de eileiders klein. Blijkt uit het gesprek dat je verder geen risico hebt op problemen aan de eileiders, dan is er geen reden voor verder onderzoek naar de eileiders.
Het HSG wordt uitgevoerd in de eerste helft van de cyclus (na de menstruatie en voor de eisprong), omdat zeker moet zijn dat je op het moment van de ingreep niet zwanger bent.
Het onderzoek wordt poliklinisch gedaan, dus je kunt direct erna weer naar huis.
Contrastmiddel
Het contrastmiddel dat gebruikt wordt, bevat mogelijk jodium. Heb jij eerder een allergische reactie op contrastmiddel of jodium gehad? Bespreek dit met je arts, dan wordt het onderzoek aangepast.
Als de contrastvloeistof goed door de eileiders loopt kan het HSG een bijkomend voordeel hebben: de vloeistof helpt soms om de eileider door te spoelen, waardoor de kans op een spontane zwangerschap na deze behandeling iets hoger is.
Uit onderzoek blijkt in sommige gevallen dat deze positieve werking bij oliehoudend contrastmiddel groter is dan bij waterhoudend contrastmiddel.
Zo verloopt het HSG onderzoek
Het HSG onderzoek stap voor stap: folder HSG.
Je ligt met je benen in de beensteunen. De arts brengt een spreider (speculum) in. De arts plaatst een slangetje in de baarmoeder. Aan het uiteinde zit een ballonnetje dat opgeblazen wordt. Dit kan gevoelig zijn. Vervolgens spuit de arts het contrast in via het slangetje. Je kunt een menstruatieachtige pijn voelen.
De contrastvloeistof loopt de baarmoederholte in en vervolgens door de eileiders je buikholte in. Dat voel je niet. Op het scherm zie je het contrastmiddel waaierachtig vervagen. Dit in het geval dat beide eileiders volledig open zijn.
Voor en tijdens het onderzoek
Eén tot twee uur vóór het onderzoek kun je een pijnstiller nemen (bijvoorbeeld naproxen 2 tabletten van 275 mg, 50 mg diclofenac of 1000 mg paracetamol).
De hele procedure duurt ongeveer 15 tot 30 minuten, het onderzoek zelf duurt maar een paar minuten. Tijdens het onderzoek kun je een menstruatieachtige pijn voelen. Meestal helpen de pijnstillers goed en omdat het maar een paar minuten duurt, is het voor de meeste vrouwen goed te doen. Soms blijkt het slangetje niet goed te zitten en moet het opnieuw worden geplaatst.
De pijn neemt snel af. Je kunt daarna nog wat vage buikpijn houden. Die neemt in de loop van een etmaal verder af.
Na het onderzoek
Je kunt het beste iemand meenemen, zodat je na afloop niet zelf een auto hoeft te besturen. Ook fietsen kun je na het onderzoek beter niet doen.
Na het onderzoek kun je nog enkele dagen lichte (menstruatie) pijn in de onderbuik hebben, evenals wat afscheiding of gering bloedverlies. Gebruik maandverband en neem zo nodig een pijnstiller (bijv. paracetamol).
Je kunt de dag na het onderzoek weer aan het werk.
Na de foto mag je gewoon seks hebben als je dat wilt. Er is ook geen bezwaar tegen om die maand (na de HSG) weer zwanger proberen te worden.
Als je na het HSG-onderzoek last hebt van hevige buikpijn en/of koorts (38 graden of meer), neem dan contact op met de arts/het ziekenhuis.
Uitslag
Je arts bespreekt de uitslag met je. Als er afwijkingen worden gezien aan de eileiders dan is het advies een kijkoperatie te laten doen. Daarna is pas echt duidelijk wat er aan de hand is met de eileiders.
3.2.3 Schuimecho
Een alternatief voor een HSG is een schuimecho. De volledige naam hiervoor is hysterosalpingo-foam sonografie (HyFoSy).
Hierbij wordt een kleine hoeveelheid schuim in de baarmoeder en eileiders gespoten terwijl er een inwendige echo wordt gemaakt. Het schuim licht op het echobeeld wit op. Op deze manier kan worden vastgesteld of de eileiders open zijn. Deze test wordt door veel vrouwen als minder pijnlijk ervaren. Het is nog niet bekend of het voordeel van een HSG (doorspuiten waardoor de kans op een spontane zwangerschap na deze behandeling iets hoger is) ook geldt voor de schuimecho. De schuimecho wordt nog niet in alle klinieken toegepast.
3.2.4 Laparoscopie (kijkoperatie)
Met een kijkoperatie kan de arts zien of er verklevingen zijn en of er endometriose is. Soms wordt deze ingreep direct geadviseerd en wordt het HSG of schuimecho overgeslagen. Voor de kijkoperatie wordt je onder narcose gebracht. Via 2 of 3 kleine sneetjes in de buik kijkt de arts naar je baarmoeder, eileiders en eierstokken.
Tijdens de kijkoperatie wordt ook via de vagina vloeistof in de baarmoeder gespoten. Zo kan de arts zien of je eileiders doorgankelijk zijn. De kijkoperatie wordt daarom in het eerste deel van je cyclus gepland, na de menstruatie en voor de ovulatie. Er mag immers geen vloeistof worden ingespoten als je net zwanger kan zijn.
Zo verloopt een laparascopie.
4. OFO-ONDERZOEK BIJ MANNEN
4.1 STANDAARD ONDERZOEK BIJ DE MAN
4.1.1 Anamnese
Als een zaadonderzoek slecht resultaat heeft laten zien, wordt de man soms door de huisarts naar de uroloog doorgestuurd. Maar vaker zullen jullie samen voor een eerste consult naar de fertiliteitskliniek gaan. In dat geval zal tegelijkertijd met de vrouw, ook de anamnese (medische voorgeschiedenis) van de man worden doorgenomen. De arts stelt daarbij een aantal vragen, bijvoorbeeld over vroegere ziektes (de bof, liesbreukoperatie, niet ingedaalde ballen), medicijngebruik, eventuele ongevallen waarbij de geslachtsorganen beschadigd kunnen zijn en over de seksuele relatie.
4.1.2 Zaadonderzoek
Het belangrijkste onderzoek bij de man is het zaadonderzoek. Als de uitslag goed is, is er geen lichamelijk onderzoek nodig.
Voorbereiding
Je maakt een afspraak om het zaad op een bepaalde datum en tijd op het laboratorium in te leveren. Je krijgt een speciaal potje mee.
Voorafgaand aan de zaadlozing is het advies enkele dagen geen zaadlozing te hebben gehad. Het advies voor het aantal dagen onthouding kan iets verschillen per ziekenhuis, de arts zal je hierover informeren. Als je voor een tweede keer een zaadonderzoek krijgt, probeer dan hetzelfde aantal dagen onthouding aan te houden als bij het eerste onderzoek.
Zaadlozing
Je kan thuis de zaadlozing door masturbatie opwekken, bij voorkeur maximaal één uur voor de afspraak. Als dat lastig is, kan je vragen waar je terecht kunt om het in de kliniek te doen. Het is belangrijk dat het zaad niet met verkeerde stoffen in aanraking komt. Als je je handen met zeep wast, spoel ze dan goed na. Gebruik alleen het potje dat je voor dit doel hebt gekregen. Gebruik geen condoom, daar zitten vaak spermadodende stoffen in. Als het je niet zonder lukt, zoek dan een condoom zonder latex en zonder zaaddodende middelen. Probeer alles op te vangen in het potje!
Je kan beter geen gemeenschap hebben om de zaadlozing op te wekken. Vaak gaat een deel van het sperma verloren.
Vervoer
Het zaad moet zo vers mogelijk worden beoordeeld, het liefst binnen één uur na de zaadlozing. Het zaad kun je het beste op kamertemperatuur vervoeren. In je jaszak bij je lichaam is het beste.
Als het niet lukt
Is het niet gelukt of is het zaad niet helemaal opgevangen? Laat het weten aan het laboratorium. Je bent niet de enige die dit overkomt, je hoeft je niet te schamen.
Het is ook van belang om het tegen de laboratoriummedewerker te zeggen als je de afgelopen drie maanden ziek bent geweest, koorts hebt gehad of medicijnen (hebt) gebruikt.
Beoordeling
Een kleine, afgemeten, hoeveelheid zaad wordt op een glaasje met een raster gebracht en onder de microscoop beoordeeld. Handmatig worden de zaadcellen per vakje volgens een protocol geteld. Het zaad wordt beoordeeld op de hoeveelheid zaadcellen en de beweeglijkheid.
◦ Volume: het gemiddelde volume van een zaadlozing is 2-6 milliliter.
◦ Hoeveelheid: meer dan 20 miljoen per milliliter wordt als normaal gezien.
◦ Beweeglijkheid: normaal is minstens 40% van de zaadcellen goed beweeglijk.
De totale hoeveelheid goed beweeglijke zaadcellen wordt uitgedrukt in VCM (volume, concentratie, motiliteit). Dit is volume x concentratie zaadcellen x beweeglijkheid. Als je 3 milliliter sperma hebt, 40 miljoen zaadcellen per milliliter en 50% is goed beweeglijk dan is je VCM 3 x 40 miljoen x 0.5 = 60 miljoen.
In Nederland kunnen de waarden die men voor de kwaliteit van zaad gebruikt per ziekenhuis enigszins verschillen. Overleg met je arts welke waarden het laboratorium gebruikt.
Betekenis
Naarmate er minder beweeglijke zaadcellen zijn, is de kans op bevruchting kleiner. Om jullie kans te berekenen op een spontane zwangerschap in het komend jaar, wordt het percentage goed beweeglijke zaadcellen gebruikt. Om deze kans te kunnen berekenen moet je minimaal een VCM van 3 miljoen hebben.
| VCM / | spontane kans zwangerschap / | IUI / | IVF (ICSI) |
|---|---|---|---|
| >20 | normaal | + | + |
| 5-20 | mogelijk, maar kleiner | + | + |
| 1-5 | klein | ? | + |
| <1 | zeer klein | – | + |
Als de VCM 5-20 is, is een zwangerschap mogelijk, maar het kan wel langer duren voor het lukt. Het is een mogelijke reden voor het uitblijven van een zwangerschap. IUI (inseminatie van het zaad in de baarmoeder) is een mogelijkheid om de kansen te verbeteren. Bij een VCM tussen 1 en 5 is de kans op een spontane zwangerschap klein. Het is de vraag of IUI mogelijk is. Er moeten na bewerking van het zaad minimaal 1 miljoen zaadcellen overblijven. Bij een VCM kleiner dan 1 is een spontane zwangerschap bijna niet mogelijk. Er is onvoldoende zaad voor IUI, maar IVF (ICSI) behoort wel tot de mogelijkheden.
Herhalen onderzoek
Als de VCM < 20 is wordt het onderzoek na 2 tot 3 maanden herhaald. De uitslag kan per keer verschillen. Bij de geboorte van een man zijn alleen voorlopers van de zaadcellen aanwezig in de ballen. Vanaf de puberteit begint de zaadproductie. Rijpe zaadcellen worden afgevoerd en samen met extra vocht komen ze terecht in het ejaculaat (zaadlozing). Dit is een continu proces, waarbij het ontwikkelen tot rijpe zaadcel ongeveer 75 dagen duurt. Het rijpingsproces kan negatief worden beïnvloed door externe factoren zoals koorts, een ongezonde levensstijl, (virus)infecties, medicatiegebruik (bijvoorbeeld ACE-remmers, tricyclische antidepressiva en anti-epileptica), hormonale preparaten (zoals anabole steroïden, antiandrogenen, progestagenen, oestrogenen), drugs (cannabis), chemotherapie, radioactieve straling, bestrijdingsmiddelen (pesticiden), oplosmiddelen, zware metalen of lasdampen.
Terminologie
Een laag aantal zaadcellen heet oligozoöspermie. Bij herhaling geen enkele zaadcel in het sperma heet azoöspermie. Afwijkende beweeglijkheid (motiliteit) heet asthenozoöspermie. Afwijkende vorm heet teratozoöspermie. Een combinatie van laag aantal zaadcellen, verminderde beweeglijkheid en afwijkende vorm heet oligo-astheno-teratozoöspermie (OAT).
4.1.3 Leefstijl en de vruchtbaarheid van de man
- Het sperma van mannen die roken is van slechtere kwaliteit dan dat van mannen die niet roken. In het ejaculaat zitten niet alleen minder zaadcellen, ze hebben ook vaker een afwijkende vorm.
- Omdat de hormoonhuishouding van mannen met obesitas verstoord is, verloopt de ontwikkeling van de zaadcellen minder goed. Als je overgewicht hebt, kun je daardoor een verminderde zaadkwaliteit hebben. Zowel het aantal als de beweeglijkheid van de zaadcellen worden negatief beïnvloed door overgewicht.
- Het gebruik van drugs en anabole steroïden beïnvloeden de kans op zwangerschap.
- Alcohol remt de aanmaak van het mannelijk hormoon testosteron en bevordert de afbraak ervan. Hierdoor neemt het aantal zaadcellen af. Tegelijkertijd neemt het aantal afwijkende zaadcellen juist toe. Dus voor mannen is het advies om alcoholgebruik te matigen in de periode dat jullie proberen zwanger te worden en zeker tijdens vruchtbaarheidsbehandelingen.
- Voor het productieproces van zaadcellen is een temperatuur van ongeveer 35°C nodig, ongeveer 1,5 tot 2°C koeler dan de rest van het lichaam. Dat is de reden waarom de teelballen buiten je lichaam hangen. Te veel warmte is niet goed voor de kwaliteit van het sperma. Helaas is nog niet duidelijk of een aanpassing van leefstijl op dit gebied positieve gevolgen heeft.
- Je maakt voortdurend nieuwe zaadcellen, maar de aanmaakcellen blijven gedurende je hele leven dezelfde. Ze zijn aan slijtage onderhevig, zodat ze na verloop van tijd steeds minder productief worden en meer fouten gaan maken.
- Glijmiddel kan de kwaliteit van het zaad verminderen. Gebruik dus geen glijmiddelen bij gemeenschap of zoek een speciale soort die ‘zaadvriendelijk’ is.
- Het slikken van foliumzuur kan goed zijn voor de kwaliteit van de zaadcellen.
4.2 AANVULLEND ONDERZOEK BIJ DE MAN
4.2.1 Lichamelijk onderzoek bij de man
Er wordt alleen lichamelijk onderzoek bij de man gedaan nadat ook bij het tweede zaadonderzoek verminderde zaadkwaliteit gevonden. Vaak word je hiervoor doorverwezen naar de uroloog/androloog. Bij het lichamelijk onderzoek kijkt en voelt de specialist of er afwijkingen zijn aan de geslachtsorganen. Zo kan er bij onderzoek van de uitwendige geslachtsorganen bijvoorbeeld een spatader in de balzak (varicocèle) worden geconstateerd. Mogelijk stelt de arts dan een operatie voor. Door de aanwezigheid van zo’n spatader kan de temperatuur in de balzak te hoog worden, waardoor de kwaliteit van het zaad negatief beïnvloed kan worden. Er bestaat in de medische wereld geen algemene overeenstemming over het nut en de noodzaak van deze operatie. Nader onderzoek lijkt niet alleen van belang voor het stellen van de diagnose, maar mogelijk ook voor de verdere prognose van de vruchtbaarheidsstoornis en voor het uitsluiten van lange termijn gezondheidsrisico’s, zoals hypogonadisme (tekort aan testosteron).
4.2.2 Laboratoriumonderzoek van bloed of urine
Bij de man vindt bloedonderzoek uitsluitend plaats indien hiervoor een aanleiding bestaat en omvat onder andere hormoonbepalingen (FSH, LH en testosteron). Alleen in heel specifieke gevallen is het toedienen van hormonen een mogelijke oplossing. Soms wordt de urine na een zaadlozing nagekeken. Als in de urine grote hoeveelheden zaadcellen worden aangetroffen, is er sprake van een retrograde zaadlozing. De blaashals (overgang plasbuis naar blaas) sluit zich niet goed en daardoor stroomt het sperma naar de blaas. Het is mogelijk om levende zaadcellen uit de urine te halen. De zaadcellen kunnen dan via inseminatie of reageerbuisbevruchting worden gebruikt.
5. DE UITSLAG
Als je na een OFO-onderzoeken de uitslag krijgt, is het niet gek dat je dat spannend vindt. Het zou kunnen dat ze je vertellen dat de kans op een spontane zwangerschap even groot is als de kans dat je met een behandeling zwanger raakt. En dat je het dus nog maar even zelf moet blijven proberen. Maar het kan ook zijn dat ze je vertellen dat je medische hulp nodig hebt om zwanger te worden. In sommige gevallen kunnen de artsen je zelfs helaas weinig hoop op een eigen kindje geven. Welke uitslag je ook krijgt en welk doktersadvies daar ook uit voortvloeit, Freya’s advies is: neem de tijd om dit nieuws te verwerken. En zoek dan – als je er aan toe bent – naar verdere informatie over de mogelijkheden en wat een bepaalde optie voor jou betekent. Vruchtbaarheidsbehandelingen ondergaan vraagt best wat van je. Je kunt te maken krijgen met lichamelijke, psychische en organisatorische obstakels.
6. ONVERKLAARBAAR VERMINDERD VRUCHTBAAR
Ondanks de onderzoeken bij vrouw en man wordt niet altijd een verklaring voor het vruchtbaarheidsprobleem gevonden. Dit betekent nog niet dat er niets aan de hand is, maar de artsen weten het simpelweg niet. De wetenschap gaat verder en mogelijk wordt nog eens een nieuwe test ontwikkeld waaruit de oorzaak van jouw verminderde vruchtbaarheid zal blijken. Vaak krijg je het advies om nog wat langer zelf te proberen spontaan zwanger te worden. Uit onderzoek blijkt dat het bij veel mensen toch nog lukt om spontaan zwanger te raken in de periode na de onderzoeken. Elke maand op de goede momenten vrijen, afwachten en hopen kan moeilijk zijn. De onzekerheid kan veel spanningen geven. Misschien wil je daarom liever een behandeling krijgen. Besef dat het ondergaan van vruchtbaarheidsbehandelingen ook niet makkelijk is en meer nadelen met zich meebrengt dan spontaan zwanger worden. Om die reden geeft de arts het advies om nog af te wachten.
7. WAT KAN FREYA VOOR JE DOEN?
7.1 INFORMATIE GEVEN
Op de Freya website is (onder de knop ‘kinderwens’) veel informatie te vinden. Je kunt per e-mail vragen aan ons panel stellen. Wij proberen ons antwoord zoveel mogelijk toe te spitsen op jouw situatie, maar wij zijn ervaringsdeskundigen, geen artsen. Daarom kunnen we alleen algemene (medische) informatie geven. Voor specifieke medische vragen over jouw persoonlijke situatie: stel je vraag aan je behandelend arts of aan de fertiliteitverpleegkundige.
TIP: Het is handig je vragen thuis op papier te zetten, zodat je niets vergeet te vragen tijdens je bezoek aan de kliniek. Als je abonneelid van Freya wordt ontvang je 4x per jaar het Freya Magazine en bieden we je diverse ledenvoordelen.
7.2 CONTACT MET ANDEREN
Hoe ga je emotioneel met deze zaken om? Kun je er met je partner goed over praten, zitten jullie op één lijn? Heb je (daarnaast) nog iemand anders met wie je erover kunt praten? De periode dat je bezig bent met allerlei onderzoeken is een moeilijke tijd waarin onzekerheid een grote rol speelt. Voor sommige stellen is de psychische belasting zo groot, dat de relatie eronder lijdt. Ook je seksleven kan er onder te lijden hebben. Het is niet altijd makkelijk om hiermee om te gaan. Dan kan het prettig zijn om iemand te hebben waarmee je dit in vertrouwen kunt bespreken. Contact met lotgenoten kan daarom fijn zijn. Lotgenoten weten hoe het voelt en hebben aan een half woord genoeg. Via Freya kun je op verschillende manieren met anderen die hetzelfde meemaken in contact komen om ervaringen uit te wisselen. Ook organiseert Freya geregeld bijeenkomsten (on- en offline), met informatieve lezingen of workshops en lotgenotencontact.
Wil je meer lezen?
- Zwanger worden
- Starters in het medisch circuit
- Praktische zaken
- Zwangerwijzer: test jouw risico’s voor zwangerschap en baby
- Degynaecoloog.nl
- Bereken je zwangerschapskans
Deze brochure is op medische correctheid gecontroleerd door: dr. G.C. van den Dool-Maasland
Dit is een uitgave van:
Freya, vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen ©
José Knijnenburg, februari 2021
Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend, tevens aanvaardt patiëntenvereniging Freya geen aansprakelijkheid indien regels door officiële instanties anders worden gehanteerd.


