Op woensdag 11 mei verdedigde Anne Schrijvers haar proefschrift “Family building through donor sperm treatment: the relevance of formal and informal support” aan de Universiteit van Amsterdam.
In 1948 vond de eerste behandeling met donorsperma in Nederland plaats. Vanaf het begin was behandeling met donorsperma controversieel en werd dit onder andere gezien als een bedreiging voor het huwelijk. Dokters die deze behandeling aanboden, adviseerden hun patiënten om dit geheim te houden voor de omgeving en met name naar het toekomstig kind. Men veronderstelde dat de relatie tussen het kind en de niet-genetische ouder beschadigd zou kunnen worden als het kind op de hoogte zou worden gebracht van zijn of haar genetische herkomst.
Echter, door de jaren heen hebben we geleerd dat het enorm belangrijk is dat donorkinderen zelf kunnen bepalen of zij de donor willen leren kennen. Daarnaast blijkt het van groot belang om kinderen vanaf jongs af aan te vertellen dat hun ouders hulp hebben gehad van een donor. Sinds 2004 kunnen donorkinderen die zijn verwekt met hulp van een spermabankdonor vanaf 12 jaar een donorpaspoort opvragen met daarin de niet-persoons identificeerbare gegevens van de donor. Vanaf 16 jaar kunnen zij de persoons identificerende gegevens opvragen. Daarnaast worden (wens)ouders tijdens een counselingsgesprek in de kliniek geadviseerd om een kind te vertellen dat hij of zij is verwekt met hulp van een spermabankdonor.
Anne Schrijvers is counselor en onderzoeker bij het Centrum voor Voortplantingsgeneeskunde van het AmsterdamUMC en onderzocht de behoeften van wensouders, ouders en donorkinderen aan psychosociale counseling en de steun die zij krijgen van hun omgeving. Sluit dit aan bij hun behoeften en is er een relatie tussen een onvervulde behoeften aan steun en het welzijn van (wens)ouders en donorkinderen?
Uit interviews met wensouders (single, in een heteroseksuele relatie en in een lesbische relatie) blijkt dat wensouders het onder andere belangrijk vinden om met de counselor te praten over de implicaties van de verschillende keuzes voor een spermadonor; van een buitenlandse commerciële spermabank, van een Nederlandse spermabank όf een eigen donor. Daarnaast hadden zij behoefte aan advies over wanneer en hoe zij hun kind kunnen vertellen dat zij hulp hebben gehad van een spermadonor. Wensouders waren ook benieuwd naar de ervaringen van ouders die al een kind hebben gekregen met hulp van een donor.
Uit vragenlijsten ingevuld door wensouders en ouders blijkt dat (wens)ouders die te weinig steun ervaren, meer psychosociale problemen hebben dan (wens)ouders die tevreden zijn over de steun die zij hebben gehad. Deze onvervulde behoeften aan steun bleek niet alleen een negatieve invloed te hebben op hun eigen mentale gezondheid, maar ook op die van hun donorkinderen.
De onderzoeksresultaten van dit proefschrift zijn inmiddels geïmplementeerd in Europese richtlijnen voor psychosociale counseling bij donorconceptie. Daarnaast heeft Schrijvers, samen met haar collega Marja Visser, prentenboekjes ontwikkeld die ouders kunnen helpen om hun kind over de donor te vertellen. De prentenboeken “Een bijzonder gewoon gezin” zijn er voor kinderen in vader-moeder gezinnen, moeder-moeder gezinnen en solo-moeder gezinnen: www.eenbijzondergewoongezin.nl.
Het proefschrift van Anne Schrijvers is in zijn geheel in te zien via https://dare.uva.nl/search?identifier=a44d3005-b579-480f-87a9-0439c2590adc


