Afgelopen weekend reden we langs ons vroegere huis. Het riep herinneringen op. Mooie, dierbare, liefdevolle herinneringen. Maar ook verdrietige, pijnlijke, donkere herinneringen.
We waren jong, midden twintig, toen we ons allereerste huisje kochten. We vielen op het mooie jaren ’30 huis, de knusse ruimtes, de gezellige buurt. Zelfs de scheve muren en krakende vloeren hadden hun charme. Dit voelde goed, dit zou ons ’thuis’ worden.
En het werd ons thuis. De veilige haven waar we elkaar troffen na een drukke werkdag. Waar we helemaal onszelf konden zijn. De plek waar we lief hadden, lachten, onze avonden vulden met etentjes met vrienden, dromen koesterden en toekomstplannen maakten. Nu ik hier, jaren later, weer voorbij rijd, mijmer ik over de vervlogen tijden.
Naast de fijne herinneringen komen ook de minder mooie herinneringen boven. Dit is namelijk ook het huis waar we struikelden over onze kinderwens. Waar zwangerschappen veel te vroeg eindigden. Waar eindeloos veel testen negatief waren. Waar ik huilde, schreeuwde of juist heel stil onder de dekens lag omdat ik het verdriet om de uitblijvende kinderwens niet het hoofd kon bieden. Het huis waar ik een compleet en allesoverheersend gevoel van onmacht heb ervaren omdat onze grootste wens buiten bereik bleef. De plek ook waar een ongekende en beschamende jaloezie zich van mij meester maakte toen de overbuurvrouw trots verkondigde zwanger te zijn.
We rijden een paar keer voorbij het huis. Het voelt nog steeds vertrouwd, ondanks de verbouwing die de huidige bewoners hebben uitgevoerd.
Deze reis heeft mij, ons, gemaakt tot wie we zijn.


