Wij hebben geen kinderen. Punt.

‘Wij hebben geen kinderen.’ Daar … ik heb het gezegd. Ik neem een slok koffie en kijk zelfverzekerd observerend (of is het uitdagend?) de kring nieuwe collega’s rond. Zo, dat ligt op tafel. Zonder poespas, zonder verzachtende omstandigheden, zonder verantwoording afleggende of beladen toevoegingen als helaas, jammer genoeg of ongewenst. Het is zoals het is; meer wil ik er niet van maken.

‘Heb jij kinderen?’ Heel lang voelde dat voor mij als de meest lastige vraag op aarde. ‘Nee! Ik wil wel, maar ik kan niet!’ wilde ik dan uitschreeuwen. Maar dat leek me niet het meest subtiele of handige antwoord. Dus wrong ik me in de meest ongemakkelijke bochten om daar een passend antwoord op te vinden. ‘Nee, helaas … wij kunnen samen geen kinderen krijgen’, hoorde ik mezelf met een rood aangelopen hoofd stotteren of stamelen. Of ik zei botweg: ‘Wij zijn ongewenst kinderloos’. Bam … kapte ik een (mogelijkerwijs veelbelovend) gesprek weinig subtiel bruusk af.

Tuurlijk baal ik ervan dat onze kinderdroom nooit in vervulling is gegaan. Maar moet ik daar de (vaak onbekende) vraagsteller mee belasten? Moet ik diegene een ongemakkelijk of schuldgevoel aanpraten of moet ik echt hortend en stotend verantwoording afleggen? Nee toch? Maar het gebeurt wel. Met als reactie een lief bedoelde meelevende blik, een geschrokken oh-jeetje-wat-zeg-ik-nu-gezicht of een onhandig gestamel gevolgd door ‘sorry, ik moet er vandoor’. En wat leverde mij dat op? Nog meer pijn.

Dat wil ik niet meer. Onze kinderloosheid hoort bij ons en bij ons leven. Het onderwerp en de weg daarnaartoe zijn al groot genoeg en ik wil het niet nog groter maken dan het is. Ik bagatelliseer het zeker niet, maar het mag er zijn. Het is zo. Ik en wij zijn er sterker door geworden en die zelfverzekerde kracht wil ik uitstralen. Het is mijn verhaal. Het is wie ik ben. En dus zeg ik het nu gewoon zoals het is: ‘Wij hebben geen kinderen.’ Punt. En ik neem vastberaden een slok koffie.

Liefs, Lot

Geef een reactie